Kants epistemologie leidt tot agnosticisme, de bewering dat er niets van de werkelijkheid kenbaar is. Norman Geisler merkt op: “In zijn onbeperkte vorm beweert het [agnosticisme] dat het onmogelijk is om de werkelijkheid (d.i. de waarheid) te kennen. Maar dat wordt op zich geponeerd als een waarheid over de werkelijkheid.” (Geisler, CA, 135) Hij geeft weer hoe deze bewering zichzelf weerlegt: “De fundamentele zwakte in Kants harde agnostische standpunt is zijn bewering dat hij kennis heeft van wat volgens hem onkenbaar is. Met andere woorden, als het waar was dat de werkelijkheid onkenbaar is, dan zou niemand, Kant incluis, haar kennen. Kants harde agnosticisme komt neer op de bewering: ‘Ik weet dat er niets te weten valt over de werkelijkheid.’” (Geisler en Bocchino, WAS)
Geisler zegt ook:
Een volstrekt agnosticisme is zelfweerleggend; het komt uiteindelijk neer op de zichzelf onderuithalende stelling dat “men genoeg over de werkelijkheid weet om te kunnen bevestigen dat er over de werkelijkheid niets te weten valt.” Deze bewering levert in zichzelf alles wat nodig is om zichzelf te falsificeren. Want als iemand iets over de werkelijkheid weet, dan kan hij zeker niet in dezelfde adem beweren dat de hele werkelijkheid onkenbaar is. En natuurlijk is het zo dat iemand die niets over de werkelijkheid weet geen enkele grond heeft om een bewering over de werkelijkheid te doen. Het volstaat niet om te zeggen dat zijn kennis over de werkelijkheid enkel en alleen negatief is, dat wil zeggen, kennis is over wat de werkelijkheid niet is. Want elke negatief veronderstelt een positief; iemand kan niet op een zinvolle manier beweren dat iets niet zo is, wanneer hij geen enkele kennis heeft van dat iets. Hieruit volgt dat het absolute agnosticisme zelfweerleggend is, omdat het een zekere kennis van de werkelijkheid veronderstelt om te ontkennen de werkelijkheid hoe dan ook gekend kan worden. (Geisler, CA, 20)
Dit agnosticisme is onhoudbaar: “Er is een mogelijkheid dat de werkelijkheid kenbaar is. En inderdaad is dit een van de meest constante veronderstellingen in de geschiedenis van de filosofie. De mens was en is nog steeds op zoek naar de werkelijkheid. Elke redenatie die de mogelijkheid hiervan a priori zou uitschakelen is niet alleen zelfweerleggend maar gaat ook in tegen de hoofdstroom van de filosofische inspanningen.” (Geisler, PR, 89)
Mortimer Adler reageert op Kants agnosticisme met een vraag: “En dit brengt de criticus tot de vraag hoe iemand, als alleen datgene kenbaar is wat binnen de grenzen van de zintuiglijke ervaring ligt, gerechtvaardigd is om te stellen dat daarbuiten geen werkelijke dingen bestaan, en hoe hij kan zeggen wat de grenzen zijn die het menselijk verstand niet kan overschrijden, tenzij hij er zelf wel in slaagt deze te passeren?” (Ayer, LTL, 34)
De filosoof Ludwig Wittgenstein stelt: “Om een grens aan het denken te stellen, moeten we beide zijden van de grens denkbaar achten.” (Wittgenstein, TLP, voorwoord)
Etienne Gilson merkt op: “De kennis van wat een ding is in zoverre het niet gekend wordt is een rechtstreekse tegenstrijdigheid in de leer van Kant.” (Gilson, BSP, 131)
Ravi Zacharias: “Kants agnosticisme over de uiteindelijke waarheid is zelfweerleggend. Het is niet mogelijk om iets te beweren over de uiteindelijke waarheid tenzij men kennis heeft van de uiteindelijke waarheid. Wie, zoals Kant, zegt dat men de grens van de verschijningen niet kan overschrijden, overschrijdt de grens om dat te kunnen beweren. Met andere woorden, het is niet mogelijk om het verschil te kennen tussen verschijningsvorm en werkelijkheid tenzij iemand genoeg afweet van beiden om er onderscheid tussen te kunnen maken.” (Zacharias, CMLWG, 203)
H. A. Pritchard merkt op dat kennis van de werkelijkheid niet samengaat met het idealisme in het algemeen:
Om de wereld als afhankelijk van het verstand te zien, moeten we hem zien alsof hij slechts uit een opeenvolging van indrukken bestaat. … Dat dit het onvermijdelijke uitvloeisel is van het idealisme wordt niet opgemerkt zolang men veronderstelt dat de relatie van feitelijke zaken tot het verstand in essentie is dat ze gekend worden. … [H]et voordeel van deze [Kants] vorm van idealisme vloeit in werkelijkheid voort uit datgene wat het idealisme in het algemeen nu juist wil ontkennen. Want de conclusie dat de fysieke wereld bestaat uit een opeenvolging van indrukken wordt alleen vermeden door in acht te nemen dat feitelijke zaken zich door middel van kennis verhouden tot het verstand, en door zich vervolgens, zonder zich de inconsequentie hiervan te realiseren, te bedienen van het onafhankelijke bestaan van de gekende werkelijkheid. (Pritchard, KTK, 122-123)



