3C. Waarheid volgens hedendaagse filosofen

G. E. Moore definieert ware en onware overtuiging zo: “Zeggen dat deze overtuiging waar is, is zeggen dat er in het universum een feit is dat met haar in overeenstemming is; en dat ze onwaar is, is zeggen dat er in het universum geen feit is dat met haar in overeenstemming is.” (Moore, SMPP, 277)

Moore stelt opnieuw: “Wanneer de overtuiging waar is, is ze zeker in overeenstemming met een feit; en wanneer ze in overeenstemming is met een feit is ze zeker waar. En vergelijkbaar, wanneer ze onwaar is, stemt ze zeker niet overeen met enig feit; en wanneer ze niet met enig feit in overeenstemming is, is ze zeker onwaar.” (Moore, SMPP, 279)

Moore suggereert dat waarheid een eigenschap is die algemeen is voor elke overtuiging die in overeenstemming is met de feiten:

We hebben gezegd dat zeggen dat ze waar is niets meer is dan zeggen dat ze in overeenstemming is met een feit; en dit is duidelijk een eigenschap die algemeen is voor deze en andere overtuigingen. Zo kan de overtuiging van de winkelier dat het pakket dat we deze ochtend besteld hebben, verzonden is, even goed de eigenschap hebben dat ze in overeenstemming is met een feit, [n.l. dat het pakket inderdaad verzonden is] als de overtuiging dat ik vertrokken ben die eigenschap kan hebben. En datzelfde geldt voor de eigenschap die we nu gelijkgesteld hebben met de onwaarheid van de overtuiging. De eigenschap die we gelijkgesteld hebben met haar onwaarheid is slechts die van het niet overeenstemmen met enig feit [het pakket is niet verzonden]. (Moore, SMPP, 277-278)

De agnosticus Bertrand Russell onderscheidt twee feiten over overtuigingen: “Een denken dat gelooft, gelooft terecht wanneer er een overeenstemmend complex bestaat dat geen betrekking heeft op het denken, maar slechts op de objecten daarvan. Deze overeenstemming zorgt ervoor dat er sprake is van waarheid, en de afwezigheid ervan brengt onwaarheid met zich mee. Daarmee verklaren we in één keer de twee feiten dat overtuigingen (a) afhankelijk zijn van het denken voor hun bestaan, en (b) niet afhankelijk zijn van het denken voor hun waarheid.” (Russell, PP, 129)

Russell beredeneert dat er een wereld van objectieve feiten is die onafhankelijk is van ons denken: “De eerste gemeenplaats waarop ik uw aandacht wil vestigen – en ik hoop dat u met mij instemt dat deze zaken die ik gemeenplaatsen noem zo voor de hand liggend zijn dat het haast lachwekkend is om ze te noemen – is dat de wereld feiten bevat, die zijn wat ze zijn, hoe we er ook over willen denken, en dat er ook overtuigingen zijn, die verwijzen naar feiten, en in hun verwijzing naar feiten ofwel waar of onwaar zijn.” (Russell, LK, 182)

De Thomistische filosoof Etienne Gilson wijst erop dat er, wil er overeenstemming zijn tussen de kenner en het gekende, onderscheid tussen de twee moet zijn:

De definitie van waarheid als een adequatie [toestand van gelijkwaardig-zijn] tussen het ding en het verstand … is een simpele verwoording van het feit dat het waarheidsprobleem betekenisloos is tenzij het verstand als onderscheiden van zijn object wordt beschouwd. … Waarheid is slechts de overeenstemming tussen de rede die oordeelt en de werkelijkheid die door dit oordeel bevestigd wordt. Dwaling is, anderzijds, slechts hun gebrek aan overeenstemming. (Gilson, CPSTA, 231)

E. P. Ramsey illustreert het verschil tussen denken en feiten:

Stel dat ik op dit moment van oordeel ben dat Caesar vermoord werd: dan is het natuurlijk om in dit feit enerzijds mijn denken, of mijn huidige psychische toestand, of woorden of beelden in mijn geest – wat we de mentale factor of factoren zullen noemen – te onderscheiden, en anderzijds ofwel Caesar, of de moord op Caesar, of Caesar en moord, of de stelling dat Caesar vermoord werd – wat we de objectieve factor of factoren zullen noemen – en te veronderstellen dat het feit dat ik van oordeel ben dat Caesar vermoord werd, bestaat uit de aanname van een zeker verband of verbanden tussen deze mentale en objectieve factoren. (Ramsey, FP, zoals geciteerd in Mellor, PP, 34)

Peter Kreeft en Ronald K. Tacelli van Boston College leggen uit dat “waarheid de overeenstemming is tussen wat je weet of zegt en wat er is. Waarheid betekent “het zeggen zoals het is.” Ze vervolgen:

Wanneer ze maar simpel en duidelijk verwoord worden, gaan alle waarheidstheorieën uit van de van gezond verstand getuigende waarheidsopvatting die verankerd is in de taal en de gebruikstraditie, de zogenaamde correspondentie- (of identiteits-) theorie. Want iedere theorie beweert dat ze werkelijk waar is, dat wil zeggen, dat ze in overeenstemming is met de werkelijkheid, en dat de andere werkelijk onwaar zijn, dat wil zeggen, dat zij niet overeenstemmen met de werkelijkheid. (Kreeft, HCA, 364, 366)

J. P. Moreland omschrijft waarheid als “een relatie van overeenstemming tussen een gedachte en de wereld. Als een gedachte de wereld werkelijk nauwkeurig omschrijft, is hij waar. Hij staat met de wereld in een relatie van overeenstemming.” (Moreland, SSC, 81-82)

Norman Geisler stemt in:

Waarheid is wat in overeenstemming is met zijn referent [het idee waarnaar een woord verwijst]. Waarheid over de werkelijkheid is wat in overeenstemming is met de manier waarop de dingen werkelijk zijn. Waarheid is: “Het zeggen zoals het is.” Deze overeenstemming is zowel op abstracte werkelijkheden als op feitelijke werkelijkheden van toepassing. Er zijn mathematische waarheden. Er zijn ook waarheden over ideeën. In beide gevallen is er een werkelijkheid, en de waarheid geeft daar accuraat uitdrukking aan. Onwaarheid is dus wat niet in overeenstemming is. Onwaarheid zegt het zoals het niet is, en geeft een verkeerde voorstelling van hoe de dingen zijn. De bedoeling achter de stelling is irrelevant. Als er geen sprake is van een adequate overeenstemming, is ze onwaar. (Geisler, BECA, 743)

Mortimer J. Adler stelt: “Net zoals de waarheid van de spraak de overeenstemming is tussen wat iemand tegen een ander zegt en wat hij tegen zichzelf zegt of bij zichzelf denkt, is de waarheid van het denken de overeenstemming tussen wat iemand denkt, gelooft, of van mening is, en wat er feitelijk al dan niet bestaat in de werkelijkheid, die onafhankelijk is van onze hersenen en van ons denken van het een of het ander.” (Adler, SGI, 34)

Peter van Inwagen legt uit:

Elk van onze overtuigingen en beweringen schildert de wereld op een bepaalde manier af, en de overtuiging of bewering is waar wanneer de wereld zo is, en onwaar wanneer de wereld niet zo is. Het is, zou je kunnen zeggen, aan onze overtuigingen en beweringen om de wereld juist weer te geven, en als ze dat niet doen, doen ze hun werk niet goed, en is dat hun schuld en niet de schuld van de wereld. Onze overtuigingen en beweringen staan dus in verhouding tot de wereld zoals een landkaart in verhouding staat tot het terrein: het is aan de landkaart om het terrein juist weer te geven, en als de kaart dat niet doet is dat de fout van de kaart en niet van het terrein. (Van Inwagen, M, 56)

Robert Audi, een vooraanstaande figuur binnen de hedendaagse epistemologie (kennisleer), merkt op:

Normaal gezien verbinden de interne toestanden en processen die onze overtuigingen rechtvaardigen, deze ook met de externe feiten waaraan deze overtuigingen hun waarheid ontlenen. Ik denk nu aan ware proposities, of men er nu geloof aan hecht of niet, zoals je die aantreft in versies van de correspondentietheorie van de waarheid, waarvan de centrale stelling is dat ware proposities “overeenstemmen” [of identiek zijn] met de werkelijkheid. Gewoonlijk wordt daaraan toegevoegd dat ze waar zijn dankzij die overeenstemming. De propositie dat er een groen veld voor mij ligt, is waar, mits er in werkelijkheid een groen veld voor me ligt, en we zouden ook kunnen zeggen dat ze waar is dankzij het feit dat er werkelijk een dergelijk veld voor me ligt. (Audi, ECITK, 239)

William P. Alston, filosoof aan de universiteit van Syracuse, ontwikkelt zijn “realistische waarheidsbegrip” langs soortgelijke lijnen: “Een stelling (propositie, overtuiging) is waar dan en slechts dan als datgene wat volgens die stelling het geval is, feitelijk het geval is. Bijvoorbeeld, de stelling dat goud smeedbaar is, is waar dan en slechts dan als goud smeedbaar is. De ‘inhoud’ van een stelling – wat volgens die stelling het geval is – voorziet ons van alles wat we nodig hebben om te specificeren wat er vereist is voor het waar-zijn van de stelling. … Voor de waarheid van de stelling is niets méér vereist, en niets minder volstaat.” (Alston, RCT, 5-6)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate