Zelfs de agnosticus Bertrand Russell voert aan dat waarheid niet relatief is ten opzichte van het denken: “Het zal blijken dat ons denken geen waarheid of onwaarheid voortbrengt. Het brengt overtuigingen voort, maar zodra die overtuigingen voortgebracht zijn, kan het denken ze niet waar of onwaar maken, behalve in het speciale geval dat het toekomstige zaken betreft, die binnen de macht van de persoon met de overtuiging liggen, zoals het halen van een trein. Wat een overtuiging waar maakt is een feit, en dit feit heeft niets (behalve in uitzonderingsgevallen) uit te staan met het denken van de persoon die de overtuiging heeft.” (Russell, PP, 129,130) Een “uitzonderingsgeval” zou de bewering “Ik heb een droom gehad” kunnen zijn, waar de geest een overtuiging creëert op basis van een feit dat ook met de geest te maken heeft. Toch blijft het principe overeind. Er is een feit en er is een overtuiging, en de overtuiging is waar wanneer ze een accurate afspiegeling van het feit vormt.
De filosoof Joseph Owens legt uit: “Voor zover bestaan onverenigbaar is met niet-bestaan op hetzelfde moment en in dezelfde aspecten, manifesteert het zich als absoluut. Tot op deze hoogte voorziet het dus in een absolute maatstaf voor waarheid. Als hier regen valt, vormt die regen geen existentiële synthese met ‘niet-vallen’. Het vallen van de regen is absoluut. Het is niet relatief ten opzichte van de waarnemer. Vanuit dit gezichtspunt heeft de waarheid van de beoordeling een absoluut karakter, want ze wordt afgemeten aan een absoluut bestaan.” (Owens, CEI, 208)
Adler merkt op dat de stelling: “Dat mag waar zijn voor jou, maar niet voor mij” niet alleen op een vergissing berust, maar ook dikwijls verkeerd wordt uitgelegd. De verkeerde uitleg “berust op het feit dat men geen onderscheid maakt tussen de waarheid of onwaarheid die inherent is aan een propositie of uitspraak, en het oordeel dat iemand velt met betrekking tot de waarheid of onwaarheid van de uitspaak in kwestie. We kunnen verschillend oordelen over wat waar is, maar dat heeft geen invloed op de waarheid van de zaak zelf.” (Adler, SGI, 41)
“De waarheid of onwaarheid van een bewering”, vervolgt Adler,
wordt afgeleid van haar relatie met controleerbare feiten, niet van haar relatie met de oordelen van menselijke wezens. Ik kan een bewering als waar aanmerken die feitelijk onwaar is. Jij kunt een bewering als onwaar afwijzen die feitelijk waar is. Mijn bevestiging en jouw ontkenning hebben geen enkele invloed op de waarheid van de bewering die jij en ik onterecht beoordeeld hebben. We maken beweringen niet waar of onwaar door ze te bevestigen of te ontkennen. Ze zijn waar of onwaar ongeacht wat wij denken, welke meningen wij toegedaan zijn, welke oordelen wij vellen. (Adler, SGI, 41)
Daarmee maakt Adler een onderscheid tussen de subjectiviteit van onze waarheidsoordelen en de objectiviteit van waarheid zelf. Hij legt uit: “Het subjectieve aspect van waarheid ligt in de bewering die het individu doet over de waarachtigheid van zijn oordeel. Het objectieve aspect ligt in de overeenstemming tussen wat die persoon gelooft of denkt en de werkelijkheid waarover hij een oordeel velt wanneer hij een bepaalde overtuiging of mening heeft. Het objectieve aspect is het belangrijkste.” (Adler, SGI, 42)
Wie dit onderscheid niet maken, zegt Adler, vallen terug in een overdreven scepticisme, door hun weigering te erkennen dat subjectieve meningsverschillen over wat waar of onwaar is uit de wereld te helpen zijn door pogingen om uit te vinden wat objectief waar of onwaar is, vanuit de gedachte dat de waarheid van een bewering berust op haar relatie met de werkelijkheid, en niet op haar relatie met het oordeel van het individu daarover.” (Adler, SGI, 42)
Volgens Robert Audi:
Of er een groen veld voor me ligt is geen kwestie van mijn gemoedstoestand. Het lijkt een objectieve kwestie te zijn die onafhankelijk is van iemands denken en het groen lijkt aanwezig te zijn of we het nu wel of niet geloven. Inderdaad, of mijn overtuiging waar is, wordt bepaald door het feitelijk aanwezig zijn van het veld. De waarheid van dergelijke waarnemingsovertuigingen hangt af van de externe werkelijkheid, die op haar beurt niet afhankelijk is van wat wij geloven. (Audi, ECITK, 239)
De externe werkelijkheid of externe feiten zijn dus zoals ze zijn, onafhankelijk van het menselijk denken. Audi concludeert: “Als waarheid niet afhankelijk van het denken is en op zijn minst in die zin objectief is, hebben we een versie van het realisme, en wel grofweg het standpunt dat (externe) zaken zijn zoals ze zijn, onafhankelijk van hoe wij ze opvatten.” (Audi, ECITK, 239)
William P. Alston merkt op dat de waarheid van de stelling “goud is smeedbaar” niet relatief is ten opzichte van personen.
Het is niet vereist dat iemand of enige sociale groep, hoe ook gedefinieerd, weet dat goud smeedbaar is, of gerechtvaardigd of rationeel is in zijn geloof in dat feit. Het is niet vereist dat de wetenschap op dat verafgelegen hemelse moment waarheen het onderzoek op weg is, zal constateren dat goud smeedbaar is. Het is niet vereist dat het aanvaard wordt door de meerderheid van de American Philosophical Association. Het is niet vereist dat de waarschijnlijkheid ervan is toegenomen door de een of andere verzameling empirische bewijzen. Zolang goud smeedbaar is, is wat ik zeg waar, ongeacht de epistemische status van die propositie voor welk individu of welke samenleving ook.” (Alston, RCT, 5-6)
Peter van Inwagen merkt op: “De wereld bestaat en heeft de kenmerken die hij heeft grotendeels onafhankelijk van onze overtuigingen en onze beweringen.” Hieruit concludeert hij dat “de waarheid of onwaarheid van onze overtuigingen en beweringen dus ‘objectief’ is, in die zin dat de waarheid en onwaarheid van deze overtuigingen en beweringen door hun objecten, door de zaken waar ze op slaan, op hen wordt overgebracht.” (Van Inwagen, M, 56)
Van Inwagen voegt eraan toe:
En hoe brengen de objecten van onze overtuigingen en beweringen die waarheid op ze over? … Als ik stel dat Albany de hoofdstad van de staat New York is, dan is wat ik gesteld heb waar dan en slechts dan als Albany de hoofdstad van de staat New York is. Als Berkeley gelooft dat er niets onafhankelijk van het denken bestaat, dan is wat hij gelooft waar dan en slechts dan als er niets onafhankelijk van het denken bestaat, en wat hij gelooft onwaar dan en slechts dan als er iets onafhankelijk van het denken bestaat. Als twee mensen, zeg, jij en ik, dezelfde overtuiging over iets hebben – misschien geloven we allebei dat Albany de hoofdstad is van de staat New York – dan wordt de waarheid of onwaarheid op onze gezamenlijke overtuiging overgebracht door de kenmerken van dat ene object. Waarheid is dan ook “één”, en er bestaat dan ook niet iets als een overtuiging of bewering die “waar voor mij” maar “niet waar voor jou” is. Als jouw vriend Alfred op iets wat jij gezegd hebt, reageert met de woorden: “Dat kan wel waar zijn voor jou, maar het is niet waar voor mij”, dan kunnen zijn woorden alleen maar beschouwd worden als een nogal misleidende manier om te zeggen: “Dat kan zijn wat jij denkt, maar dat is niet wat ik denk.” (Van Inwagen, M, 56-57)



