Michael Jubien, filosoof aan de University of Californa-Davis, geeft een soortgelijk argument tegen het relativisme.
Ofwel het relativisme is een werkelijke theorie waarin een werkelijke bewering wordt gedaan, of het is dat niet. Maar elke poging om het relativisme te verdedigen zonder zich te verlaten op simpele [absolute] waarheid zal onvermijdelijk falen, omdat die een oneindige regressie zou genereren. En natuurlijk zou elke verdediging van het relativisme die zich wel verlaat op simpele [absolute] waarheid zichzelf in de weg staan. Dus het ziet er naar uit dat iedere schijnbare bewering van [het relativisme] ofwel zichzelf in de weg staat, of anders geen werkelijke bewering is, maar meer iets als een loze kreet. (Jubien, CM, 89)
De door Jubien genoemde “oneindige regressie” doet zich voor wanneer de relativist beweert dat de theorie van het relativisme waar is. De theorie is ofwel absoluut waar (voor iedereen, op elke plaats, en op elk moment), of relatief waar. Als de theorie absoluut waar is, dan is het relativisme onwaar, want op zijn minst één waarheid is dan absoluut waar. Maar als de theorie slechts relatief waar is, komt de vraag aan de orde: “Voor wie is ze (relatief) waar?” Stel dat ze relatief waar is voor ene Michael. Maar is deze bewering (dat het relativisme waar is voor Michael) absoluut of relatief waar? Als ze absoluut waar is, moet het relativisme onwaar zijn, maar als ze relatief waar is, ten opzichte van wie is ze dan relatief? Relatief ten opzichte van Michael? Relatief ten opzichte van iemand anders?
Veronderstel dat de bewering dat het relativisme waar is voor Michael relatief waar is voor een andere persoon, genaamd Suus. De relativist zal nu moeten verklaren of deze waarheid absoluut of relatief is, en in het laatste geval, ten opzichte van wie. Uiteindelijk zal hij of zij ofwel moeten toegeven dat er op zijn minst één waarheid absoluut waar is, in welk geval het relativisme onwaar is, of anders zal hij niet kunnen zeggen wat hij nu werkelijk beweert wanneer hij zegt dat het relativisme waar is. Dus ofwel het relativisme spreekt zichzelf tegen (en is dus onwaar) of het is niet te verdedigen.
Geisler merkt op: “De enige manier waarop de relativist het pijnlijke dilemma van het relativisme kan ontlopen is door toe te geven dat er in elk geval enkele objectieve waarheden zijn. Zoals opgemerkt geloven de meeste relativisten dat het relativisme absoluut waar is en dat iedereen relativist zou moeten zijn. Daarin ligt de zelfvernietigende aard van het relativisme. De relativist staat op de top van de absolute waarheid en wil al het andere relativeren.” (Geisler, BECA, 745)
In dezelfde geest merken Kreeft en Tacelli op:
Universeel relativisme is heel gemakkelijk te weerleggen, net als dat voor universeel scepticisme geldt. Als waarheid slechts relatief is, alleen waar voor mij, maar niet voor jou, dan is ook die waarheid – de “waarheid” van het subjectivisme – niet waar, maar alleen “waar voor mij” (dat wil zeggen, waar voor de subjectivist). Dus de subjectivist zegt niet dat het subjectivisme werkelijk waar is en het objectivisme werkelijk onwaar, of dat de objectivist er gewoon naast zit. Hij daagt zijn tegenstander niet uit, hij argumenteert niet, hij debatteert niet, het enige wat hij doet is “zijn gevoelens delen”. “Ik voel me lekker” is geen tegenwerping of weerlegging van jouw bewering “Ik voel me ziek”. Het subjectivisme is geen “isme”, geen filosofie. Het klimt niet op naar het niveau waarop het onze aandacht zou verdienen. De beweringen ervan zijn van het type “Ik heb jeuk” en niet van het type “Ik weet”. (Kreeft, HCA, 372)



