Als het relativisme waar was, zou de wereld vol met tegengestelde omstandigheden zitten. Want als iets waar is voor mij maar onwaar voor jou, is er sprake van tegengestelde omstandigheden. Want als ik zeg: “Er staat melk in de koelkast”, en jij zegt: “Er staat geen melk in de koelkast” – en we hebben allebei gelijk, dan moet er op hetzelfde moment en in dezelfde betekenis zowel melk als geen melk in de koelkast staan. Maar dat is onmogelijk. Dus als waarheid relatief was, zou iets onmogelijks feitelijk zijn. (Geisler, BECA, 745)
10In een discussie tussen een christen en een atheïst zou dat betekenen dat de christen de waarheid vertelt wanneer hij beweert: “God bestaat” en de atheïst de waarheid vertelt wanneer hij zegt dat God niet bestaat. Maar het is onmogelijk dat God tegelijkertijd en in dezelfde zin wel en niet bestaat.
Geisler redeneert: “Als waarheid relatief is, dan heeft er nooit iemand ongelijk – zelfs wanneer dat wel zo is. Zolang iets waar is voor mij, heb ik gelijk, zelfs al heb ik ongelijk. Het nadeel is dat ik ook nooit iets zou kunnen leren, omdat leren het overgaan van een onware naar een ware overtuiging is – dat wil zeggen, van een absoluut onware naar een absoluut ware overtuiging, (Geisler, BECA, 745)



