4C. Moreel relativisme

Moreel relativisme is relativisme dat wordt toegepast op de zeden van een samenleving. J. P. Moreland legt in Love Your God with All Your Mind uit dat moreel relativisme “ervan uitgaat dat iedereen moet handelen in overeenstemming met de (ongeschreven) wetten van zijn eigen samenleving. … Dit impliceert dat morele proposities niet simpelweg waar of onwaar zijn. (Moreland, LYG, 150)

Moreland geeft vijf kritische benaderingen van het morele relativisme:

  1. Het is moeilijk te definiëren wat een samenleving is of in een bepaald geval te specificeren wat de relevante samenleving is. Als iemand uit samenleving A buitenechtelijke seks heeft met een vrouw uit samenleving B in een hotel in samenleving C, die een standpunt heeft dat afwijkt van zowel A als B, wat is dan de relevante samenleving voor de bepaling of de handeling goed of slecht was?
  2. Een verwante tegenwerping is het feit dat we dikwijls tegelijkertijd deel uitmaken van verschillende samenlevingen waarin verschillende morele waarden gelden: ons gezin; onze familie; onze buurt, school, kerk, of vereniging; onze werkplek; onze stad, provincie, land en de internationale gemeenschap. Welke samenleving is de relevante? Wat als ik tegelijkertijd lid ben van twee samenlevingen en de ene staat een bepaalde morele handeling toe en de andere verbiedt haar? Wat doe ik in dat geval?
  3. Moreel relativisme lijdt aan een probleem dat het dilemma van de hervormer genoemd wordt. Als normatief relativisme waar is, dan is het logisch gezien onmogelijk dat zich in een samenleving een deugdzame, zedelijke hervormer bevindt zoals Jezus Christus, Gandhi of Martin Luther King jr. Waarom? Zedenhervormers zijn leden van een samenleving die buiten de morele code van hun samenleving staan en de noodzaak voor hervorming en verandering in die code aankaarten. Echter, als een handeling dan en slechts dan goed is als ze in overeenstemming is met de regels van een gegeven samenleving, dan is de zedenhervormer per definitie een immorele persoon, want zijn opvattingen zijn afwijkend van die van de samenleving. Zedenhervormers moeten wel slecht zijn omdat ze tegen de regels van hun samenleving ingaan. Maar elke opvatting die impliceert dat zedenhervormers niet kunnen bestaan, zit ernaast, omdat we allemaal weten dat er werkelijk zedenhervormers bestaan hebben. Anders gezegd, moreel relativisme impliceert dat noch culturen (vanuit het conventionalisme) noch individuen (vanuit het subjectivisme) hun zedelijke wetten kunnen verbeteren.
  4. Sommige handelingen zijn altijd verkeerd, ongeacht de sociale conventies. Aanhangers van dit punt van kritiek nemen over het algemeen het standpunt van het particularisme in en beweren dat ieder mens kan weten dat bepaalde dingen, zoals het martelen van baby’s, stelen als zodanig, hebzucht als zodanig, enzovoort, verkeerd zijn, zonder voorafgaande criteria nodig te hebben om vast te stellen hoe het komt dat hij dergelijke dingen eigenlijk weet. Zo kan gedrag (zoals het martelen van baby’s) verkeerd zijn en algemeen als verkeerd gezien worden, zelfs wanneer de samenleving zegt dat het goed is, en gedrag kan goed zijn en algemeen als goed beschouwd worden, zelfs wanneer de samenleving zegt dat het verkeerd is. Handelingen kunnen zelfs goed of verkeerd zijn wanneer de samenleving er volkomen over zwijgt.
  5. Als het morele relativisme waar is, is het moeilijk in te zien hoe een samenleving gerechtvaardigd zou zijn om een andere samenleving te beschuldigen in bepaalde morele kwesties. Volgens het morele relativisme moet ik handelen in overeenstemming met de ongeschreven regels van mijn samenleving en moeten anderen handelen in overeenstemming met die van hen. Als Smit iets doet wat goed is volgens de regels van zijn samenleving, maar verkeerd is volgens die van mij, hoe kan ik zijn handeling dan als verkeerd bestempelen?

Hiertegen is in te brengen dat een van de regels van samenleving A kan zijn dat gedragingen zoals moord afgekeurd moeten worden, ongeacht waar ze zich voordoen. Leden van A kunnen zulke gedragingen in andere samenlevingen dus afkeuren. Maar een dergelijke regel legt nog eens extra de inconsequentie van het normatieve relativisme bloot. Gegeven deze regel en het feit dat het normatieve relativisme waar is en aangehouden wordt door leden van A, lijkt het of de leden van A in de positie zijn dat ze vinden dat leden van B moeten moorden (aangezien de regels van B zeggen dat dat goed is) en zouden ze tegelijkertijd leden van B moeten bekritiseren omdat hun regels zeggen dat dat moet. Dus ze keuren leden van B af als immoreel en tegelijkertijd vinden ze dat hun handelingen verricht moeten worden. Bovendien, waarom zouden leden van B zich druk maken over wat leden van A vinden? Tenslotte, als het normatieve relativisme waar is, is er niets intrinsiek goeds aan de morele opvattingen van A of welke samenleving ook. Om deze en andere redenen moet het morele relativisme worden verworpen. (Moreland, LYG, 150-153, zijn nadruk)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate