Kreeft en Tacelli merken op: “Misschien is de primaire oorsprong van het huidige subjectivisme, zeker in Amerika, wel het verlangen om aanvaard te worden, ‘in’ te zijn, modieus, avant garde, ingewijd, in plaats van ouderwets of stijf en er buiten te staan. We hebben dit allemaal als kind al geleerd – voor gek staan is absoluut de grootste angst van een tiener – maar wanneer we volwassen worden verbergen we hem onder meer geraffineerde, academische vermommingen.” (Kreeft, HCA, 381)
Een andere bron van subjectivisme is, volgens Kreeft en Tacelli, “de angst voor een radicale verandering – dat wil zeggen, de angst voor een bekering, om ‘wedergeboren‘ te worden, om je hele leven en wil aan Gods wil toe te wijden. Subjectivisme is veel comfortabeler, als een moederschoot, of een droom, of een narcistische fantasie.” (Kreeft, HCA, 381)
Volgens C. S. Lewis is een van de bronnen van het “gif van het subjectivisme”, zoals hij het noemde, de overtuiging dat de mens het product van een blind evolutionair proces is:
Nadat hij zijn omgeving bestudeerd heeft, is de mens begonnen zichzelf te bestuderen. Tot op dat punt had hij zijn eigen rede als vaststaand aangenomen en daarvan uit alle andere dingen bekeken. Nu is zijn eigen rede het object geworden: het is alsof we onze eigen ogen eruit halen om ze te bekijken. Zo bestudeerd lijkt de rede hem het epifenomeen van het chemische of elektrische gebeuren in een cortex die zelf het nevenproduct is van een blind evolutionair proces. Zijn eigen logica, tot dusverre de koning aan wie gebeurtenissen in alle mogelijke werelden gehoorzaamheid verschuldigd zijn, is nog slechts subjectief. Er is geen reden om te veronderstellen dat ze waarheid voortbrengt. (Lewis, PS, zoals geciteerd in Hooper, CR, 72)
Van Inwagen verbaast zich over het feit dat sommige mensen de objectiviteit van waarheid ontkennen:
Het meest interessante van objectieve waarheid is dat er mensen zijn die ontkennen dat ze bestaat. Je kunt je afvragen hoe iemand kan ontkennen dat er zoiets als objectieve waarheid bestaat. Ik in elk geval wel. En dat doe ik zelfs regelmatig. Ik ben er redelijk zeker van dat voor sommige mensen de verklaring ongeveer deze is: ze staan uiterst vijandig tegenover de gedachte dat er iets, op welke manier dan ook, rechter over hen zou spelen. Het idee waar ze het meest vijandig tegenover staan is natuurlijk het idee dat er een God is. Maar ze staan bijna net zo vijandig tegenover het idee dat er een objectief heelal is dat zich niets aantrekt van wat zij denken en hun meest gekoesterde overtuigingen onwaar kan maken zonder hen zelfs maar te raadplegen. (Maar dit kan niet het hele verhaal zijn, want er zijn mensen die ontkennen dat er een objectieve waarheid is en die ook in God geloven. Wat deze mensen drijft begrijp ik al helemaal niet.) De lezer zij gewaarschuwd; het moet duidelijk zijn dat ik niet het minste greintje authentieke sympathie kan opbrengen voor mensen die ontkennen dat er zoiets als objectieve waarheid bestaat. Ik ben dan ook waarschijnlijk geen betrouwbare gids voor hun opvattingen. Misschien begrijp ik deze opvattingen inderdaad niet. Ik zou het graag geloven. Ik zou graag geloven dat niemand werkelijk gelooft wat, in elk geval oppervlakkig gezien, sommige mensen wel heel erg lijken te geloven. (Van Inwagen, M, 59)



