1B. Kritiek op filosofische tegenwerpingen

De filosoof Frank Beckwith reageert in zijn kritische analyse van de argumenten van Hume op diens eerste punt: “In veel opzichten is dit zeker geen volkomen onredelijke eis. Bij het natrekken van een ooggetuigenverslag mogen we verwachten dat het aantal en de kwaliteit van de ooggetuigen voldoende is. Hume gaat echter veel verder in zijn eis.” (Beckwith, DHAAM, 49)

Beckwith vervolgt met een citaat van Colin Brown: “Zijn kwalificaties voor dergelijke ooggetuigen zijn zodanig dat ze het getuigenis van iedereen die leefde voor de zestiende eeuw, geen westerse universitaire opleiding genoten had, niet in een vooraanstaand cultuurcentrum in West-Europa woonde, en geen publieke figuur was, uitsluiten.” (Brown, MCM, zoals geciteerd in Beckwith, DHAAM, 50)

Zoals Beckwith opmerkt zal zelfs dit criterium niet werken, want “wanneer men er in slaagt een leugenaar een opvoeding te geven, is het enige waar men in slaagt, hem een betere leugenaar te maken.” (Beckwith, DHAAM, 50)

“Bovendien,” legt Beckwith uit, “geven enkele van de jongste conclusies van de Bijbelwetenschap steun aan het feit dat het opperste wonder van het christelijke theïsme, de opstanding van Jezus, aan Humes eerste criterium lijkt te voldoen.” (Beckwith, DHAAM, 50)

Beckwith wijst op de denkfout in Humes tweede punt: “Weinigen twijfelen aan het feit dat bepaalde vermeende wonderbaarlijke gebeurtenissen het voortbrengsel zijn van de menselijke fantasie en het verlangen om in het wonderlijke te geloven, maar we kunnen daaruit niet concluderen dat er geen enkele van de vermeende wonderen heeft plaatsgevonden. Daarmee zouden we de denkfout van de valse analogie maken [een argumentatie die uitloopt op onjuiste conclusie].” (Beckwith, DHAAM, 51)

Bovendien is dit, zoals Beckwith opmerkt, een naturalistische cirkelredenering: “Je kunt tenslotte niet veronderstellen dat alle aanspraken op een wonder een kwestie van overdrijving zijn tenzij je al weet dat er nooit wonderen gebeuren.” (Beckwith, DHAAM, 52)

De filosoof Colin Brown reageert: “Het is absurd om van een getuige te eisen dat hij hetzelfde wereldbeeld heeft als wijzelf of hetzelfde culturele of opleidingsniveau.” (Brown, MCM, 98) Brown concludeert dat “de geldigheid van een getuigenis dat er iets gebeurd is eerder afhangt van de eerlijkheid, het vermogen om zich niet te laten misleiden, en de afstand van de getuigen tot de vermeende gebeurtenis.” (Brown, CMC, 98, zijn nadruk)

Beckwith noemt drie problemen met Humes derde criterium: “(1) Hume definieert niet voldoende wat hij bedoelt met een ongeschoold en onwetend volk; (2) zijn criterium is niet van toepassing op de wonderen van het christelijke theïsme; en (3) Hume begaat de ‘dwaling’ van het argumentum ad hominem. [Hij valt de persoon aan in plaats van diens argument.] (Beckwith, DHAAM, 53)

Geisler zegt over Troeltsch’ analogieprincipe dat “het lijkt op Humes bezwaar tegen wonderen, gebaseerd op de eenvormigheid van de natuur.” (Geisler, CA, 302)

In reactie daarop merkt Geisler allereerst op: “Binnen de naturalistische interpretatie van alle historische gebeurtenissen is dit een cirkelredenering, doordat men de mogelijkheid van het aanvaarden van wonderen in de geschiedenis methodologisch uitsluit. Het getuigenis ten gunste van een algemene regelmaat is absoluut geen getuigenis tegen een specifieke ongebruikelijke gebeurtenis.” (Geisler, Ca, 302-303)

Ten tweede “bewijst het analogieargument van Troeltsch teveel”. Zoals Richard Whately overtuigend heeft aangetoond, zouden op basis van deze uniformitaristische aanname niet alleen wonderen zijn uitgesloten, maar ook veel ongebruikelijke gebeurtenissen in het verleden, zoals die rond Napoleon Bonaparte.” (Geisler, CA, 302-303)

“Het is duidelijk een vergissing om uniformitaristische methoden uit de experimentele natuurwetenschap over te nemen in het historisch onderzoek. Herhaalbaarheid en algemeenheid zijn benodigd voor het vaststellen van een natuurwetenschappelijke wet of van algemene patronen…. Maar deze methode werkt absoluut niet in de geschiedwetenschap. Wat er nodig is voor het vaststellen van historische gebeurtenissen is een geloofwaardig getuigenis dat deze specifieke gebeurtenissen inderdaad plaatsgevonden hebben.” (Geisler, CA, 303)

Beckwith reageert op het argument van Flew en Troeltsch door erop te wijzen: “Dit argument verwart analogie als basis voor het bestuderen van het verleden met het bestudeerde object van het verleden. Dat wil zeggen, bij het onderzoek naar het verleden gaan we uit van constantie en continuïteit, maar daaruit volgt niet dat wat we ontdekken over het verleden (dat wil zeggen, het object van ons onderzoek) geen unieke bijzonderheid kan zijn.” (Beckwith, HM, zoals geciteerd in Geivett, IDM, 97, zijn nadruk)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate