3B. Eerste beginselen van de kennis zijn afgeleid van het meest fundamentele van de werkelijkheid – haar zijn (existentie)
Thomas van Aquino stelt dat het eerste wat we onderkennen het zijn is: “Er moet een bepaalde orde worden aangetroffen in die zaken die universeel worden onderkend. Want dat wat vóór alles te onderkennen valt, is het zijn, het begrip dat omsloten is in alles wat de mens onderkent.” (Aquino, ST, 1.2.94.2)
Rudolph G. Bandas is het daar mee eens: “Zodra we in contact komen met de werkelijkheid, wat het ook is waardoor onze zintuigen geprikkeld zijn, is het eerste concept dat we verwerven dat van het zijn.” (Bandas, CPTP, 60)
Bandas verduidelijkt dat wat we onderkennen niet slechts de idee van het zijn is, maar het zijn zelf. “De stoffelijke wereld is de enige die onmiddellijk toegankelijk voor ons is, en het is onze taak om daarin de metafysische waarheden, zelfs de meest verhevene, te ontdekken. Het is een werkelijke metafysica omdat het de metafysica van het werkelijke is, van het zijn als zodanig. Het object ervan is niet de idee van het zijn (in de Kantiaanse betekenis), maar het zijn waarvan we een idee hebben.” (Bandas, CPTP, 34)
Thomas van Aquino stelt: “Ons verstand heeft van nature kennis van het zijn en zijn kenmerken, en in deze kennis ligt de kennis van de eerste beginselen geworteld.” (Aquino, CG, 2.83)
Mortimer Adler wijst erop dat het denken zich vormt naar de werkelijkheid, en niet de werkelijkheid naar het denken:
4
Aan de definitie van waarheid en onwaarheid [binnen de correspondentietheorie] liggen twee aannames van Aristoteles en Aquino ten grondslag die, naar mijn oordeel, filosofisch verdedigbaar en houdbaar zijn.
De eerste is dat er een werkelijkheid is die niet afhankelijk is van het menselijke denken, en waaraan het denken zich kan conformeren of niet. Met andere woorden, wat we denken heeft geen enkele scheppende uitwerking op datgene waarover we denken. Het is wat het is, of we er nu wel of niet over denken en ongeacht wat we er over denken.
De tweede aanname is dat deze onafhankelijke werkelijkheid volkomen gedetermineerd is. Dit is Aristoteles’ metafysische beginsel van tegenspraak. Niets kan tegelijkertijd zowel zijn als niet-zijn. Niets van het bestaande kan tegelijkertijd wel en niet een bepaalde eigenschap bezitten. (Adler, TR, 133)
Rudolph G. Bandas merkt op dat we over eerste beginselen niet hoeven “denken”, we onderkennen ze in hun zijn: “Deze fundamentele en primaire beginselen wordt het intellect spontaan gewaar.” (Bandas, CPTP, 66)
In de volgende sectie zullen we zien dat andere eerste beginselen herleidbaar zijn tot het beginsel van niet-tegenspraak (non-contradictie, ook wel het beginsel van tegenspraak (contradictie) genoemd). Bandas vat samen dat werkelijkheid, zijn, kennen, en het beginsel van niet-tegenspraak allemaal met elkaar in verband staan:
Als de idee van het zijn geen ontologische waarde heeft, zou het beginsel van tegenspraak een wet van de logica, maar niet noodzakelijkerwijs van de werkelijkheid zijn. Deze veronderstelling is echter zelfs subjectief ondenkbaar: de idee van het zijn is volkomen “eenvoudig” en niets kan er slechts gedeeltelijk mee overeenstemmen. Wat zich ermee conformeert is zijn, wat zich er niet mee conformeert, is niet-zijn. Ons intellect en ons kennen zijn dus in wezen gericht op het zijn, en staan daarmee in verband. Als deze relatie ontkend wordt, verliest alles zijn begrijpelijkheid. (Bandas, CPTP, 65)



