5B. De zekerheid van de eerste beginselen

1C. De evidente aard van eerste beginselen

We hoeven niet over eerste beginselen na te denken om te weten of ze waar zijn, het is duidelijk (evident) voor ons dat ze waar zijn zodra we de termen die in de propositie gebruikt worden, begrijpen. 7De vijf bovenstaande beginselen zijn evident waar of daartoe herleidbaar. Een ander klassiek voorbeeld is de propositie “het geheel is groter dan de delen”. Zodra we begrijpen wat “geheel” betekent en wat “delen” betekent, weten we onmiddellijk dat de propositie waar is. Onmiddellijk in deze zin is niet “heel snel”, maar betekent dat er geen bemiddeling geweest is van een redeneerproces, wat inhoud dat we niet hoeven na te denken over de propositie om te weten dat ze waar is.

Thomas van Aquino zegt dat het verstand “niet kan dwalen met betrekking tot deze uitspraken, die bekend zijn zodra de betekenis van de termen bekend is, zoals bij eerste beginselen, van waaruit we tot conclusies komen waarvan de wetenschappelijke zekerheid de onfeilbaarheid van de waarheid bezit.“ (Aquino, ST, 1.85.6)

Aquino zegt ook: “Het verstand heeft altijd gelijk met betrekking tot eerste beginselen, omdat het daarover niet misleid wordt, om dezelfde reden dat het niet misleid wordt over wat een ding is. Want in zichzelf bekende principes zijn als zodanig bekend zodra de termen begrepen worden, vanuit het feit dat het predicaat vervat is in de definitie van het subject.” (Aquino, ST, 1.17.3)

Eerste beginselen zijn evidente proposities die zelf aantonen dat ze waar zijn. We kunnen ons niet vergissen over evidente proposities; vandaar dat we ons ook niet kunnen vergissen over eerste beginselen.

Scott MacDonald merkt op dat onmiddellijke proposities afhankelijk zijn van de werkelijkheid. Ze vormen de feitelijke basis van elke gevolgtrekking, en het is onmogelijk om zich erover te vergissen:

Welke proposities onmiddellijk zijn, hangt dus alleen af van welke werkelijkheden er zijn en welke betrekkingen daartussen bestaan, dat wil zeggen, van de basisstructuur van de wereld en niet van de psychologie of de geloofsstructuur van enig epistemisch object. Niet-afgeleide geldigheid betekent dus dat iemand zich rechtstreeks bewust is van de onmiddellijke feiten die onderliggend zijn aan de noodzakelijke waarheid van een propositie. Wanneer we zien dat een propositie een onmiddellijk feit van dit type tot uitdrukking brengt, kunnen we daar onmogelijk onterecht aan vasthouden. (MacDonald, TK, zoals geciteerd in Kretzmann, CCA, 170-171)

MacDonalds punt is dat onmiddellijke proposities niet door enig geloofssysteem gefilterd worden. Dit punt is belangrijk om te onthouden wanneer we kritiek gaan oefenen op de zelfweerleggende beweringen van degenen die ontkennen dat waarheid kenbaar is. We zullen zien dat de filosofen zelf, hun filosofische systemen ten spijt, niet om de werkelijkheid en het beginsel van de tegenspraak heen kunnen. Ze proberen de werkelijkheid door hun systeem te filteren, maar in het geval van de eerste beginselen laat de werkelijkheid zich niet wegfilteren.


2C. Het verstand is aangelegd op de waarheid

Thomas van Aquino stelt dat het verstand is aangelegd op de waarheid: “Waarheid is het goed van het intellect, en de rechtsgrond van de natuurlijke ordening daarvan; en net zoals dingen zonder kennis in de richting van hun doel bewegen zonder dit te weten, neigt het menselijke verstand soms in de richting van de waarheid hoewel het het wezen ervan niet waarneemt.” (Aquino, P, 10.5)

Aquino merkt op dat het verstand een natuurlijk verlangen naar de waarheid heeft. Hij legt uit wat hij hiermee bedoelt: “Een natuurlijk verlangen is die neiging die elk ding heeft, vanuit zijn eigen natuur, naar iets anders; waardoor iedere kracht door zijn natuurlijk verlangen verlangt wat bij hem past.” (Aquino, ST, 1.78.1)

Mortimer Adler verduidelijkt dat we niet over alle waarheden zekerheid hebben, maar alleen over evidente waarheden:

Het menselijke verstand heeft grip op de waarheid naarmate de oordelen die het velt overeenstemmen met de werkelijkheid – met de manier waarop dingen al dan niet zijn. Daarmee zeggen we niet dat het menselijke verstand op enige werkelijkheid een bestendige, ondubbelzinnige, en ingewortelde greep heeft, hoewel ik persoonlijk denk dat er een relatief klein aantal evidente waarheden bestaat waarop we inderdaad een bestendige, ondubbelzinnige, en ingewortelde greep hebben. Hoe dan ook, we moeten erkennen dat waarheid in principe kenbaar is, zelfs al zullen we haar feitelijk misschien nooit kennen. (Adler, TR, 116-117)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate