1C. Onweerlegbaar

We moeten duidelijk aangeven wat we precies beweren als we zeggen dat eerste beginselen onweerlegbaar zijn. We leveren daarmee namelijk geen positief bewijs voor de eerste beginselen, maar eerder een negatief bewijs, namelijk dat eerste beginselen niet ontkend kunnen worden.

James B. Sullivan geeft een samenvatting van Aristoteles’ argument ter verdediging van de onweerlegbaarheid van het beginsel van de non-contradictie. Hij noemt acht onvermijdelijke gevolgen (zie bijgaand kader).

Avicenna, schrijft John Duns Scotus, gaf nog een ongewenst gevolg voor wie de eerste beginselen ontkent: “Zij die een eerste beginsel ontkennen, zouden geslagen moet worden of blootgesteld aan het vuur totdat ze erkennen dat branden en niet branden, of geslagen worden en niet geslagen worden, niet hetzelfde zijn.” (Avicenna, M, zoals geciteerd in Scotus, PW, 10)

8 CONSEQUENTIES VAN HET ONTKENNEN VAN DE WET VAN DE NON-CONTRADICTIE

  1. Wie de noodzaak en de geldigheid van het beginsel van non-contradictie ontkent, ontneemt woorden hun vaste betekenis en maakt het spreken tot een zinloos gebeuren.
  2. De realiteit van dat wat is zou moeten worden losgelaten; er zou een worden zijn zonder iets dat wordt, een vliegen zonder vogel, een ongeval zonder een daarmee verbonden subject.
  3. Er zou geen onderscheid tussen dingen zijn. Alles zou één zijn. Schip, muur en man zouden een en hetzelfde ding zijn.
  4. Het zou de vernietiging van de waarheid betekenen, want waarheid en onwaarheid zouden hetzelfde zijn.
  5. Het zou het einde zijn van elk denken, van alle meningen, want de bevestiging daarvan zou gelijk staan aan de ontkenning ervan.
  6. Verlangen en voorkeur zouden zinloos zijn, want er zou geen verschil bestaan tussen goed en kwaad, er zou geen reden zijn om naar huis te gaan, want naar huis gaan zou niet verschillen van blijven waar men is.
  7. Alles zou op hetzelfde moment even waar en even onwaar zijn, zodat geen enkele mening onjuister zou zijn dan een ander, zelfs niet verhoudingsgewijs.
  8. Het zou elk worden, veranderen, of bewegen onmogelijk maken. Want dit alles impliceert een overgang van de ene toestand naar de andere. Maar als het beginsel van de non-contradictie onwaar is, zouden alle zijnstoestanden hetzelfde zijn. (Sullivan, EFTBP, 121-122)

Reginald Garrigou-Lagrange komt met dit absurde gevolg:

Als het beginsel van non-contradictie niet absoluut is, dan verliest Descartes’ eigen formulering [Ik denk, dus ik ben] alle reële geldigheid en wordt ze puur een mentaal verschijnsel. Als ik dit beginsel kan ontkennen, dan kan ik zeggen: misschien denk ik en denk ik tegelijkertijd niet, misschien besta ik en besta ik niet, misschien ben ik ik en niet ik, misschien is “ik denk” net zo onpersoonlijk als “het regent”. Zonder de absoluutheid van de tegenspraak ben ik niet in staat het objectieve bestaan van mijn eigen individuele persoon te kennen. (Garrigou-Lagrange, R, 372)

Eerste beginselen moeten weerlegd worden met een eerste beginsel, wat absurd is.

Eerste beginselen zijn onweerlegbaar of herleidbaar tot het onweerlegbare. Ze zijn of evident, of herleidbaar tot evidentie. En evidente beginselen zijn ofwel van nature waar, of onweerlegbaar omdat het predicaat herleidbaar is tot het subject. Dat het predicaat herleidbaar is tot het subject betekent dat men het beginsel niet kan ontkennen zonder er gebruik van te maken. Zo valt het beginsel van de non-contradictie niet te ontkennen zonder er in de ontkenning zelf gebruik van te maken. (Geisler, BECA, 250)

Ravi Zacharias is het daarmee eens: “Op geen enkele manier zijn deze argumentatiewetten te omzeilen, want feitelijk word je gedwongen om ze toe te passen om ze te kunnen ontkrachten. (Zacharias, CMLWG, 11)

Joseph Owens merkt op dat het non-contradictieprincipe ook niet in gedachten te ontkennen is: “Hoe je het ook in woorden probeert te ontkennen, je kunt het in je gedachten niet ontkennen. Elke poging om het te ontkennen gaat samen met de bevestiging ervan. Het valt dus niet te betwijfelen of te corrigeren. Het is een oordeel dat universeel uitdrukking geeft aan het zijn dat onmiddellijk gekend wordt in dingen die door de externe zintuigen en het eigen bewustzijn van de persoon worden waargenomen.” (Owens, ECM, 269-270)

Mortimer J. Adler legt uit dat voor het gezonde verstand het non-contradictieprincipe een onloochenbaar kenmerk van de werkelijkheid is: “Het gezonde verstand zou geen moment aarzelen om te stellen dat op een gegeven moment een bepaald ding ofwel bestaat, of niet bestaat, dat een bepaald voorval ofwel heeft plaatsgevonden, of niet heeft plaatsgevonden, dat een waargenomen iets wel of niet een bepaalde eigenschap of een bepaald kenmerk vertoont. Verre van een belachelijke, om niet te zeggen, misleide aanname over de werkelijkheid waarmee onze overtuigingen al dan niet overeenstemmen, lijkt deze kijk op de werkelijkheid onweerlegbaar voor het gezonde verstand.” (Adler, SGI, 36)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate