1B. Het postmodernisme ontkracht zichzelf

Dennis McCallum vertelt het volgende verhaal:

Een van mijn vrienden vertelde me dat de christelijke apologeet en schrijver Ravi Zacharias toen hij in Columbus was om te spreken op de Ohio State University, door de mensen die hem hadden uitgenodigd werd meegenomen naar het Wexner Center for the Arts. Het Wexner Center is een bolwerk van postmoderne architectuur. Het heeft trappen die nergens uitkomen, pilaren die uit het plafond hangen maar nooit de grond raken, balken en galerijen die alle kanten op gaan, en een waanzinnig ogende open spantconstructie rond het grootste deel van de buitenzijde van het gebouw. Zoals het grootste deel van het postmodernisme trotseert het alle wetten van het gezonde verstand en de redelijkheid.

Zacharias bekeek het gebouw en hield zijn hoofd scheef. Met een grijns zei hij: “Ik vraag me af of ze dezelfde technieken gebruikt hebben voor het leggen van het fundament!”

Dat is een heel goed punt. Het is één ding om onszelf onafhankelijk van de werkelijkheid te verklaren bij het oprichten van een monument. Het is iets anders wanneer we in aanraking komen met de echte wereld. (McCallum, “The Real Issue”, 1)

McCallum noemt twee zelfvernietigende aspecten van het postmodernisme:

1. Vanuit postmodernistisch standpunt kan het postmodernisme slechts gezien worden als een even “arbitraire sociale constructie” als alle andere ideologieën. Als zodanig hebben we geen dwingende reden om de theorie te aanvaarden. We kunnen haar eenvoudigweg van de hand wijzen als het creatieve werk van een stel uiterst cynische mensen.

2. Als kan worden aangetoond dat het postmodernisme waar is, ofwel een wereldbeeld is met objectieve waarde, dan is de belangrijkste stelling van het postmodernisme (de verwerping van een objectieve waarheid) onwaar. Dan zegt het uiteindelijk dat er ten minste één objectieve waarheid is – namelijk, dat het postmodernisme gelijk heeft!

In beide gevallen ontkracht de postmoderne afwijzing van een objectieve werkelijkheid zichzelf. Of ze ontkent de geloofwaardigheid van haar eigen standpunt, of ze vooronderstelt de betrouwbaarheid van de rede en de objectiviteit van de waarheid. (McCallum, DT, 53)

Craig bestookt het postmodernisme met het volgende:

De bewering dat “de waarheid is dat er geen waarheid is” weerlegt zichzelf en is bovendien arbitrair. Want als dit waar is, is het niet waar, omdat er geen waarheid is. Het zogenaamde deconstructivisme is er dus niet van te weerhouden zichzelf te deconstrueren. Bovendien is er geen enkele reden om het postmoderne gezichtspunt aan te nemen in plaats van andere opvattingen, zoals het westerse kapitalisme, het mannelijke chauvinisme, het blanke racisme, enzovoort, omdat het postmodernisme net zo waar is als deze gezichtspunten. Gevangen in deze val van zelfweerlegging hebben sommige postmodernisten zich gedrongen gevoeld tot dezelfde uitvlucht als de boeddhistische mystici: zeggen dat het postmodernisme eigenlijk helemaal geen wereldbeeld of standpunt is. Maar alweer, waarom blijven ze er dan over praten en er boeken over schrijven? Het is duidelijk dat ze bepaalde cognitieve aanspraken doen – en zo niet, dan hebben ze letterlijk niets te zeggen en niets in te brengen tegen ons gebruik van de klassieke logica. (Craig, PIS, zoals geciteerd in Phillips, CAPW, 82)

Craig beschuldigt het postmodernisme van een onlogische sprong: “Hoe kan de loutere aanwezigheid van godsdienstige wereldbeelden die zich niet laten verenigen met het christendom aantonen dat specifiek christelijke aanspraken niet waar zijn? Logisch gezien impliceert het bestaan van meerdere, onverenigbare waarheidsaanspraken alleen maar dat ze niet allemaal (objectief) waar kunnen zijn, maar het is evident onjuist om eruit af te leiden dat ze geen van alle (objectief) waar zijn.” (Craig, PIS, zoals geciteerd in Phillips, CAPW, 77)

Carson verwerpt het dilemma dat postmodernisten opwerpen: “De deconstructivisten houden vast aan ofwel absolute kennis, of volkomen relativisme. Ofwel we kennen iets werkelijk en absoluut, of zogenaamde ‘kennis’ is niets meer dan een mening en dus relatief. Het criterium wordt rigoureus en radicaal doorgetrokken.” (Carson, GG, 107) Het postmodernisme verwerpt andere mogelijkheden zonder enige grond of enig motief. Dit is een vals dilemma.

Sire wijst erop dat “zelfs het relativisme tot het inzicht te brengen is dat waarheid noodzaak is – zelfs voor de zaak van het relativisme. De waarheidsvraag is feitelijk niet te ontlopen.” (Sire, BFCIN, zoals geciteerd in Phillips, CAPW, 114) Beweert de postmodernist dat zijn filosofie werkelijk waar is?

Sire concludeert: “Maar om terug te komen op ons specifieke onderwerp, het logocentrisme: een christelijke logocentrische benadering van de mogelijkheid van het kennen van een onafhankelijke werkelijkheid spreekt zichzelf niet tegen. Mijns inziens spreekt de postmoderne aanname dat we in principe geen toegang hebben tot de aard van de werkelijkheid zichzelf tegen.” (Sire, BFCIN, zoals geciteerd in Phillips, CAPW, 115)

Sire onthult een andere postmoderne inconsequentie: “Hoewel ultramodernisten (postmodernisten) zouden moeten beweren dat ze nooit een verhaal zijn tegengekomen waar ze niet blij mee waren, is het duidelijk dat dat wel het geval is. Christelijk-fundamentalistische en evangelische verhalen worden dikwijls verworpen vanwege hun exclusiviteit.” (Sire, BFCIN, zoals geciteerd in Phillips, CAPW, 120)

Gene Veith wijst op een fundamentele inconsequentie in het postmodernisme: “Niet geloven in waarheid is natuurlijk een innerlijke tegenspraak. Geloven betekent dat iets waar is; zeggen: ‘Het is waar dat er niets waar is’ is intrinsiek nietszeggende onzin. De hele bewering – ‘er bestaat geen absolute waarheid’ – is een absolute waarheid.” (Veith, PT, 16)

Diogenes Allen wijst op het fundamentele probleem van het postmodernisme:

De verwerping van de metavertelling van de Verlichting is echter niet voldoende reden om elke mogelijke metavertelling te verwerpen. Feitelijk is het postmodernisme zelf een metavertelling. Het heeft een universeel toepasbare zienswijze. De postmodernist denkt dat hij die zienswijze onafhankelijk van een beperkend kader heeft vastgesteld. Maar de enige manier waarop hij kan vasthouden aan zijn kijk op het menselijke leven en het heelal is door te vergeten dat de beperkingen die anderen gevangen houden in tijd en plaats, ook voor hem gelden. Om postmodernist te kunnen zijn mag de linkerhand niet weten wat de rechterhand doet. (Allen, “Christianity and the Creed of Postmodernism”, Christian Scholars Review, 124)

Erickson vertelt het volgende verhaal om de onmogelijkheid van het consequent uitleven van het postmodernisme te illustreren:

Ik geloof dat we deconstructivisten in hun zienswijze tot het uiterste moeten drijven, tot een consequent uitleven van hun standpunt, zodat ze zien dat niemand werkelijk op basis van een dergelijk standpunt kan leven.…

Als we dat doen zullen we op enige frustratie en weerstand stuiten, maar het zal ook de onmogelijkheid aan het licht brengen van een consequent leven vanuit een werkelijk radicaal postmodern gezichtspunt. Dit kwam tamelijk spectaculair aan het licht in het geval van Derrida. In een reactie op een artikel van Derrida gaf John Searle een kritische analyse van diens werk en plaatste vraagtekens bij verschillende concepten. … In een antwoord van drieënnegentig pagina’s wierp Derrida tegen dat Searle zich unfair tegenover hem opstelde en zijn standpunt op verschillende punten verkeerd had begrepen en weergegeven. Hij schreef zelfs ergens dat wat hij bedoeld had duidelijk en voor de hand liggend had moeten zijn voor Searle. Ik beschouw dat als een ongelooflijk non-deconstructivistische, non-postmoderne reactie voor iemand die volhoudt dat de betekenis van een tekst niet ligt in de bedoeling van de schrijver, maar in wat de lezer eruit opmaakt. (Erickson, PF, 156)

Pauline Marie Rosenau brengt zeven punten in tegen het postmodernisme:

Ten eerste staat het postmodernisme afwijzend tegenover alle pretenties van theorievorming. Maar een stellingname tegen theorievorming is op zich ook een theoretische stellingname. Als theorievorming zinloos is en als elke poging om waarheid te verbinden met theorieën afgewezen dient te worden, dan moeten dergelijke premissen ook van toepassing zijn op iedere “vorm van theoretische inspanning, inclusief pogingen om andere soorten van theorievorming in diskrediet te brengen terwijl men de eigen theorie, om zo te zeggen, door de achterdeur naar binnen smokkelt.” (Norris 1988: 147)

Ten tweede maken postmodernisten, hoewel ze het belang van het irrationele benadrukken en ernstige twijfels uitspreken over rede, logica en rationaliteit, de intellectuele gereedschappen van de Verlichting, in hun eigen analyse wel gebruik van deze instrumenten. Deconstructie, bijvoorbeeld, is een bijzonder logisch, redelijk, en analytisch proces.

Ten derde beoordelen en veroordelen postmodernisten interpretaties niet als goed of verkeerd. Maar wijst hun suggestie dat de sociale wetenschappen zich zouden moeten concentreren op de uitgestotenen, de veronachtzaamden, de mensen in de marge, en degenen die monddood gemaakt zijn, niet op een interne waardestructuur die impliciet bepaalde groepen of bepaalde gezichtspunten bevoordeelt boven andere? En is dit niet strijdig met hun weigering om prioriteiten te stellen? … Als postmodernisten er per definitie vanuit gaan dat hun eigen gezichtspunt hoogstaander is dan dat van de Verlichting, zijn ze dan niet van oordeel dat hun eigen interpretatie bevoorrecht is boven alle andere?

Ten vierde benadrukt het postmodernisme intertekstualiteit, maar veel varianten ervan, vooral die geïnspireerd door Derrida, behandelen de tekst in isolatie.

Ten vijfde verwerpen veel postmodernisten moderne criteria voor het beoordelen van een theorie. Maar als postmodernisten conclusies trekken, van welke aard dan ook, zoals over de onbeslisbaarheid van problemen waarop de moderne sociale wetenschap een antwoord probeert te vinden, kunnen ze niet beweren dat er geen geldige criteria zijn om een oordeel te vellen. Het kan niet anders of ze hebben zelf criteria, impliciet misschien, op basis waarvan ze dergelijke uitspraken doen. En als zulke criteria bestaan, dan doen postmodernisten een bewering die erop neerkomt dat er enige zekerheid in de wereld bestaat.

Ten zesde, hoewel ze waarschuwen voor de inconsequenties van de moderniteit, verzetten ze zich wanneer zij zelf met consequentienormen geconfronteerd worden. Ze ontkennen openlijk dat zij enige speciale inspanning hoeven te leveren om interne tegenspraak te vermijden; en dat lijkt toch nauwelijks eerlijk.

Ten zevende beweren postmodernisten dat wat ze ook zeggen of schrijven slechts een lokale vertelling is, die alleen relevant is voor haar eigen hoorders. Maar er zijn maar heel weinig postmodernisten die volledig afstand doen van de waarheidsaanspraken van wat ze schrijven, en ook dit wijst op interne tegenspraak. (Rosenau, PMSS, 176-177)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate