Augustinus van Hippo herkende de zelfweerleggende aard van het scepticisme meer dan 1000 jaar voordat Hume zijn twijfels uitte: “Iedereen die twijfelt weet dat hij twijfelt, zodat hij in elk geval zeker is van deze waarheid: dat hij twijfelt. Dus iedereen die twijfelt of er iets als waarheid bestaat, kent in elk geval één waarheid, zodat alleen al zijn vermogen tot twijfelen hem zou moeten overtuigen dat er zoiets als waarheid bestaat.” (Augustinus, TR, 39.73)
Gordon Clark zegt het iets anders: “Scepticisme is het standpunt dat niets aantoonbaar is. En hoe, vragen wij, toon je aan dat er niets aantoonbaar is? De scepticus stelt dat niets kenbaar is. In zijn haast zei hij dat waarheid een onmogelijkheid was. En is het waar dat waarheid een onmogelijkheid is? Want als er geen enkele propositie waar is, dan is er in elk geval één propositie waar, namelijk dat geen enkele propositie waar is. Als waarheid een onmogelijkheid is, volgt daar dus uit dat we al bij de waarheid zijn aangekomen.” (Clark, CVMT, 30)
Norman Geisler geeft de volgende kritiek op het scepticisme:
Het algemene sceptische streven om elk oordeel over de werkelijkheid op te schorten is zelfweerleggend, omdat het een oordeel over de werkelijkheid in zich draagt. Hoe zou iemand anders kunnen weten dat het opschorten van onze oordelen over de werkelijkheid de verstandigste manier van doen was, tenzij hij inderdaad wist dat de werkelijkheid onkenbaar was? Scepticisme impliceert agnosticisme en [omdat het een bewering doet over de werkelijkheid] agnosticisme impliceert in elk geval enige kennis over de werkelijkheid. Onbelemmerd scepticisme dat aanbeveelt om elk oordeel over de werkelijkheid op te schorten impliceert een verstrekkend oordeel over de kenbaarheid van werkelijkheid. Waarom zou iemand alle pogingen om tot waarheid te komen ontmoedigen, tenzij hij van te voren weet dat ze zinloos zijn? En hoe kan iemand deze informatie vooraf bezitten tenzij hij al iets weet over de werkelijkheid? (Geisler, CA, 22)
Geisler maakt onderscheid tussen gedeeltelijk scepticisme (dat gezond kan zijn) en absoluut scepticisme: “Het absolute scepticisme is zelfweerleggend. Alleen al de bevestiging dat elke waarheid onkenbaar is wordt gepresenteerd als een bevestiging van de waarheid. Als een waarheidsuitspraak die zegt dat er geen waarheidsuitspraken gedaan kunnen worden, ondermijnt ze zichzelf.” (Geisler, CA, 133-134)
Scott MacDonald wijst erop dat het scepticisme weerlegd wordt door het feit dat wij kennis hebben van eerste beginselen: “Onze rechtstreekse bekendheid met de noodzakelijke waarheid van bepaalde onmiddellijke proposities vormt de ontwijfelbare en onfeilbare toegang tot deze waarheden, en dus is, met betrekking tot deze proposities en de proposities die we hiervan door middel van strikte deducties afleiden, het scepticisme bewijsbaar onwaar.” (MacDonald, TK, zoals geciteerd in Kretzmann, CCA, 187)
Augustinus viel in zijn boek Contra Academica ook terug op de zekere kennis van de eerste beginselen om het scepticisme van zijn dagen te weerleggen. Frederick Copleston vat Augustinus als volgt samen: “Ik ben ik elk geval zeker van het bestaan van het beginsel van de tegenspraak.” (Copleston, HP, 53)
De rooms-katholieke apologeet G. H. Duggan wijst op het dilemma van de scepticus: Aan de ene kant houdt de scepticus vol dat er geen zekere waarheden zijn. Aan de andere kant kan hij geen bewering doen zonder toe te geven dat het principe van de contradictie zeker waar is. Volgens dit principe zijn zijn en niet-zijn niet gelijk. Als we dit verwerpen zijn ‘is’ en ‘niet’ in elke willekeurige bewering onderling uitwisselbaar. Het spreekt voor zich dat denken en discussiëren op deze voorwaarden onmogelijk is. (Duggan, BRD, 65)
Mortimer Adler zegt hetzelfde: “Dit principe [van de contradictie] biedt een volledige weerlegging van de verklaring van de scepticus dat geen enkele bewering waar of onwaar is. Want als de uitspraak van de scepticus waar is, dan is er op zijn minst één bewering die waar is, en niet onwaar. En als ze onwaar is, dan kunnen er heel veel beweringen zijn die ofwel waar, of onwaar zijn. En als ze niet waar en niet onwaar is, waarom zouden we dan enige aandacht schenken aan wat de scepticus zegt?” (Adler, TR, 113-134)
Volgens Adler is het gezonde verstand een weerlegging van het scepticisme:
Het gezichtspunt van het gezonde verstand is datgene waar we allemaal van uitgaan wanneer we het standpunt van de extreme scepticus, dat zichzelf tegenspreekt en weerlegt, verwerpen als niet alleen onredelijk, maar ook praktisch onbruikbaar. Er is nauwelijks één aspect van ons dagelijks leven dat hetzelfde zou zijn wanneer we de positie van de extreme scepticus zouden moeten omarmen in plaats van afwijzen. We zijn vast overtuigd van de gedachte dat waarheid en onwaarheid voor ons achterhaalbaar zijn en dat we, met wisselende mate van zekerheid, op de een of andere manier kunnen onderscheiden wat waar is en wat onwaar is. Bijna alles wat we doen of waarop we vertrouwen is gebaseerd op die overtuiging. (Adler, SGI, 35)
Ravi Zacharias vat samen: “Humes sceptische deductie dat elk oordeel over de werkelijkheid opgeschort dient te worden is zelfweerleggend omdat die oproep om ons oordeel op te schorten op zich al een oordeel over de werkelijkheid is.” (Zacharias, CMLWG, 200)
Colin Brown waarschuwt ons voor de stelligheden van Hume: “Hume doet voorkomen alsof hij ontwapenend eerlijk is wanneer hij erkent dat ‘de natuur altijd te sterk is voor het principe’. Op het eerste gezicht is dit een heilzame waarschuwing voor zowel systeembouwers als systeemvernietigers, om niet aanmatigend te zijn in hun respectievelijk radicale bevestigingen en radicale ontkenningen. Maar Humes opmerking hier is een impliciete claim dat zijn benadering (hoe ingewikkeld ook) de enige geldige is. Feitelijk is Humes scepticisme op alle belangrijke punten verdacht.” (Brown, PCF, 71)
Ook Ronald Nash waarschuwt: “Telkens wanneer we iemand tegenkomen die zegt dat niemand iets kan weten, is het niet meer dan natuurlijk dat we ons afvragen of [of hoe] de scepticus dat weet.” (Nash, WVC, 84)
G. H. Duggan wijst op een ander aspect van de zelfweerleggende aard van de beweringen van het scepticisme: “Het sceptische gezichtspunt dat de externe zintuigen onbetrouwbaar zijn kan alleen aangehouden worden wanneer men er vanuit gaat dat de externe zintuigen geen deel uitmaken van het kenvermogen. Want als iemand er vanuit gaat dat de externe zintuigen deel uitmaken van het kenvermogen, moet men er vanuit gaan dat ze in wezen betrouwbaar zijn. Als ze niet betrouwbaar waren, zouden ze geen deel uitmaken van het kenvermogen, omdat ze dan onbetrouwbare informatie zouden leveren; en onbetrouwbare informatie is geen kennis.” (Duggan, BRD, 65)
Mortimer Adler noemt een ander dilemma dat de beweringen van het scepticisme met zich meebrengen:
Met de ontkenning van het bestaan van elke waarheid of onwaarheid moet de extreme scepticus in laatste instantie ofwel ontkennen dat er een onafhankelijke werkelijkheid bestaat, of ontkennen dat de werkelijkheid een vaststaand karakter bezit waarmee ons denken ofwel in overeenstemming, of niet in overeenstemming is. Als we zover gaan moet het direct duidelijk zijn dat de scepticus zichzelf wel tegen moet spreken. Tenzij hij aanspraak maakt op waarheid voor zijn verzekering dat er geen onafhankelijke werkelijkheid is of dat deze geen vaststaand karakter heeft, verdwijnt zijn eigen standpunt in het niets; en als hij aanspraak maakt op waarheid voor zijn ontkenningen, dan moet hij dat doen op gronden die in laatste instantie uitgaan van de definitie van waarheid. (Adler, SCI, 213)



