Als er een theïstische God bestaat, dan zijn wonderen mogelijk. Zoals C. S. Lewis zei: “Maar als we God erkennen, moeten we dan ook het Wonder erkennen? Jawel, daar ben je niet tegen verzekerd. Dat zit in de deal. Feitelijk zegt de theologie tegen je: ‘Erken God en met Hem het risico van een paar wonderen, en in ruil daarvoor zal ik je geloof in de onveranderlijkheid van de absolute meerderheid van de gebeurtenissen bevestigen.’” (Lewis, M, 109)
Wat wordt er bedoeld met de term wonder? “De eerste stap in dezen is, net als in alle andere discussies, het vormen van een duidelijk begrip van de betekenis van de gebruikte termen. Discussies over het al dan niet mogelijk, en indien mogelijk, geloofwaardig zijn van wonderen zijn niets meer dan luchtfietsen zolang de gesprekspartners niet overeenstemmen in wat ze bedoelen met het woord ‘wonder’.” (Huxley, WTHH, 153)
Wij definiëren wonderen als buitengewone handelingen van God in de wereld. Omdat wonderen buitengewone handelingen van God zijn, kunnen ze alleen daar bestaan waar er een theïstische God is die dergelijke handelingen kan verrichten.
In dit boek hebben we steeds bewijzen geleverd voor het bestaan van een God die, als een van zijn vele handelingen, de wereld geschapen heeft. Als God in staat is om de wereld te scheppen, volgt daaruit dat God ook in staat is in die wereld handelend op te treden.
Het is van belang om op te merken dat we hier niet de Bijbel gebruiken om het mogelijk zijn van wonderen te bevestigen, maar alleen om, zoals verderop zal blijken, verslag te doen van de historiciteit van bepaalde wonderbaarlijke voorvallen. Dat wonderen mogelijk zijn is een uitvloeisel van het feit dat dit een theïstisch heelal is, en geen conclusie die we uit de Bijbel trekken. Stephen T. Davis merkt op dat dit feitelijk een vooronderstelling van de Bijbel is: “Dat God de schepper van de wereld is wordt beweerd in Genesis 1-2, wordt de hele Bijbel door bevestigd of voorondersteld, en is de uitkomst van elke geslaagde kosmologische bewijsvoering voor het bestaan van God. De wereld is een contingent iets; hij bestaat alleen omdat God hem tot aanzijn geroepen heeft en hem in stand houdt. De bewering dat God handelend optreedt in de geschiedenis, met de bedoeling mensen te beïnvloeden en Gods doeleinden tot uitvoering te brengen, is een universele vooronderstelling van heel de Bijbel.” (Davis, GA, zoals geciteerd in Geivett, IDM, 164-165)
William Lane Craig vertelt hoe dit probleem van het mogelijk-zijn van een Bijbels wonder ophield een probleem voor hem te zijn zodra hij het bestaan van God erkende: “In mijn eigen geval was de maagdelijke geboorte een struikelblok om tot geloof te komen – ik kon zoiets gewoon niet geloven. Maar toen ik nadacht over het feit dat God het hele heelal geschapen heeft, kwam het me voor dat het voor Hem niet al te ingewikkeld moest zijn om te zorgen dat een vrouw zwanger werd. Zodra de niet-christen begrijpt wie God is, zal het probleem van wonderen niet langer een probleem voor hem zijn.” (Craig, AI, 125)



