1B. Benedictus Spinoza beweerde dat wonderen onmogelijk zijn

Benedictus Spinoza verklaart: “Het is onmogelijk om tegen de natuur in te gaan, integendeel, … ze handhaaft een vaststaande en onveranderlijke ordening.” Hij zegt zelfs: “Als iemand zou bevestigen dat God tegen de natuurwetten in handelt, zou hij, ipso facto, gedwongen zijn te stellen dat God tegen zijn eigen natuur in handelt – een duidelijke ongerijmdheid.” (Spinoza, ATPT, 82-83)

Het is belangrijk om op te merken dat Spinoza’s rationalistische pantheïsme bepalend was voor zijn standpunt over wonderen. Spinoza verwierp transcendentie omdat hij natuur en God als ontologisch identiek zag: God is alles; en alles is God. Wat daaruit volgt is dat als God onveranderlijk is en de natuurwetten een eigenschap van God zijn, de natuurwetten onveranderlijk zijn. Dus is een wonder een ongerijmdheid, want dat zou een verandering (schending) van een onveranderlijke ordening met zich meebrengen, namelijk Gods wezen.

Spinoza’s gezichtspunt is als volgt samen te vatten:

  1. Wonderen zijn schendingen van de natuurwetten.
  2. Natuurwetten zijn onveranderlijk.
  3. Het is onmogelijk om onveranderlijke wetten te schenden.
  4. Dus wonderen zijn onmogelijk. (Geisler, MMM, 15)

Een wonder is geen inbreuk op de natuur, maar het inbrengen van een nieuwe gebeurtenis in de natuur door een bovennatuurlijke oorzaak. De natuur is niet verrast wanneer een gebeurtenis veroorzaakt wordt door het bovennatuurlijke, maar haast zich om de nieuwe gebeurtenis op te vangen. Lewis legt uit:

Als er een gebeurtenis van buitenaf op de natuur afkomt zal ze zich er niet door laten hinderen. Je kunt er zeker van zijn dat ze zich haast naar de plek waar de invasie heeft plaatsgevonden zoals de verdedigingskrachten zich haasten naar een snee in onze vinger en zich daar inspannen om de nieuwkomer op te vangen. Vanaf het moment dat deze hij haar wereld binnenkomt, zal hij al haar wetten gehoorzamen. … De goddelijke kunst van het wonder is niet de kunst van het verstoren van het patroon waaraan gebeurtenissen zich aanpassen, maar van het inbrengen van nieuwe gebeurtenissen in dat patroon. Het overtreedt de voorwaarde van de natuur: “Als A, dan B” niet, maar het zegt: “Maar deze keer, in plaats van A, A2”, en de Natuur zegt, sprekend in al haar wetten: “Dan B2” en naturaliseert de immigrant zonder enige moeite. Ze is een bedreven gastvrouw. (Lewis, M, 59, 60)

Volgens C. Stephen Evans veronderstelt de omschrijving van een wonder als een “inbreuk op” of een “onderbreking van” de natuurwetten onterecht dat God voorafgaand aan zijn wonderdaad niet in de schepping aanwezig zou zijn. Maar God is voortdurend bij zijn schepping als de noodzakelijke onderhouder ervan. Dus, hoewel wonderen speciale handelingen van God met zich meebrengen, wordt de natuur nog steeds overeind gehouden door het normale handelen van God. Evans legt het zo uit:

Het is echter enigszins onjuist om dergelijke bijzondere handelingen te bestempelen als “inbreuken” of “onderbrekingen” in de natuurlijke orde. Een dergelijke terminologie impliceert dat God normaal gesproken niet aanwezig is in de natuurlijke orde; echter, als God al bestaat, dan moet Hij gezien worden als verantwoordelijk voor het geheel van de natuurlijke orde. De tegenstelling is er dan ook niet één tussen “de natuur” en buitengewone “ingrepen” in de natuur, maar tussen Gods normale activiteit in het onderhouden van de natuurlijke orde en een speciale activiteit van Gods kant. Dus wanneer God een wonder doet, treedt Hij niet plotseling binnen in een geschapen orde waarin Hij normaal gesproken afwezig is. Hij handelt eerder op een bijzondere manier in een natuurlijke orde die Hij voortdurend ondersteunt en waarin Hij steeds aanwezig is. (Evans, Willoughby, SBTT,, 88)

Bovendien is Spinoza’s argument een cirkelredenering. Spinoza’s definitie van de natuurwetten (als onveranderlijk) sluit de mogelijkheid van wonderen al automatisch uit. Gebaseerd op zijn rationele methode, en niet op basis van empirische waarneming, nam Spinoza a priori aan dat de natuur onschendbaar is. Norman Geisler legt uit: “Spinoza’s euclidische (deductieve) rationalisme lijdt aan een acuut geval van petitio principii (cirkelredenering). Want, zoals David Hume opmerkt, moet alles wat op een geldige manier uit premissen afleidbaar is, al vanaf het begin in die premissen aanwezig zijn. Maar wanneer de onmogelijkheid van het bovennatuurlijke in Spinoza’s rationalistische premissen al voorondersteld is, verbaast het ons niet als we hem in de aanval zien gaan tegen de Bijbelse wonderen.” Geisler voegt er aan toe: “Wat Spinoza had moeten doen, maar niet deed, was een goede grond geven voor zijn rationalistische vooronderstellingen.” Spinoza “spint ze uit in de ijle lucht van rationele speculaties, maar ze worden nooit stevig vastgemaakt aan de vaste grond van de empirische waarneming.” (Geisler, MMM, 18, 21)


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate