Deze site met Bewijzen voor de geldigheid van het christelijk geloof is een apologie. Het woord apologie heeft niets te maken met Griekse mythen of maanlandingen, maar is een verdediging van wat iemand voor waar aanneemt. Het woord “verdediging” (Gr. apologia) wijst op “een verdediging van gedrag en handelwijze.” Wilbur Smith zegt het zo: “…een verbale verdediging, een toespraak ter verdediging van wat iemand gedaan heeft of van een waarheid die iemand gelooft.” (Smith TS, 45, 481).
Het woord apologia (vertaald met “verdediging” of “verantwoording”) wordt in het Nieuwe Testament, (inclusief 1Petrus 3:15 hierboven) acht keer gebruikt:
- Handelingen 22:1: “Broeders, zusters, en u, leden van het Sanhedrin, luister naar wat ik tot mijn verdediging heb aan te voeren.”
- Handelingen 25:16: “Ik heb hun geantwoord dat het bij de Romeinen niet gebruikelijk is iemand uit te leveren zonder dat hij tegenover zijn aanklagers heeft gestaan en de kans heeft gekregen zich tegen de aanklacht te verdedigen.”
- 1Korintiërs 9:3: “Ziehier mijn verdediging tegen wie zich een oordeel over mijn apostelschap aanmatigen.”
- 2Korintiërs 7:11: “Zie nu zelf waartoe uw verdriet dat God gegeven heeft, uiteindelijk heeft geleid. Hoe groot is uw inzet niet geworden; meer nog, hoe fel hebt u zich niet verdedigd, hoe verontwaardigd was u niet, hoe bang was u niet voor mij, hoezeer verlangde u niet naar mij, wat een ijver hebt u niet getoond om die broeder te straffen. In ieder opzicht hebt u bewezen dat u in deze zaak niets te verwijten valt.”
- Filippenzen 1:17:”Zij doen het uit liefde, in het besef dat ik de taak heb het evangelie te verdedigen.”
- 2Timoteüs 4:16: “Bij mijn eerste verdediging heeft niemand mij bijgestaan, ze hebben mij allemaal in de steek gelaten. Moge het hun niet worden aangerekend.”
De manier waarop het woord “verantwoording” wordt gebruikt in 1Petrus 3:15 wijst op het soort verdediging dat iemand zou voeren bij een gerechtelijk onderzoek: “Waarom ben je christen?” Een gelovige heeft de verantwoordelijkheid om een passend antwoord op deze vraag te geven.
Paul Little citeert John Stott, die zegt: “We kunnen niet toegeven aan iemands intellectuele hoogmoed, maar we moeten inhaken op zijn intellectuele integriteit.” (Little, KWhyYB, 28)
Beattie concludeert: “Het christendom is of ALLES voor de mens, of NIETS. Het is of de grootste zekerheid of de grootste illusie… Maar wanneer het christendom ALLES is voor de mensheid, dan is het van belang om ieder mens een goede reden te geven voor de hoop die in hem is betreffende de eeuwige waarheden van het christelijke geloof. Het gedachteloos aanvaarden van deze waarheden of het simpelweg op gezag van anderen aanvaarden ervan is niet voldoende voor een intelligent en evenwichtig geloof.” (Beattie, A, 37,38)
De fundamentele “apologetische” hypothese voor deze aantekeningen is: “Er is een oneindige, alwijze, almachtige, alliefhebbende God die zichzelf door natuurlijke en bovennatuurlijke middelen geopenbaard heeft in de schepping, in de aard van de mens, in de geschiedenis van Israël en de kerk, in de bladzijden van de Heilige Schrift, in de vleeswording van God in Christus, en in het hart van de gelovige door het evangelie.” (Ramm, PCE, 33)



