Een nogal veel voorkomende, scherp op de christen gerichte beschuldiging klinkt zo: “Jullie christenen zijn meelijwekkend! Het enige wat je hebt, is ‘blind vertrouwen’.” Dit geeft duidelijk aan dat de beschuldigende partij denkt dat je om christen te worden “intellectuele zelfmoord” moet plegen.
Persoonlijk “kan mijn hart zich niet verheugen in wat mijn brein verwerpt.” Mijn hart en hoofd zijn geschapen om in harmonie samen te werken en te geloven. Christus heeft ons opgedragen om “de Heer, uw God, lief [te hebben] met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand” (Matteüs 22:37, nadruk van de schrijver).
Als Jezus Christus en de apostelen iemand opriepen tot geloof was dat geen “blind vertrouwen”, maar “intelligent vertrouwen”. De apostel Paulus zei: “Ik weet in wie ik mijn vertrouwen heb gesteld.” (2Timoteüs 1:12, nadruk van de schrijver). Jezus zei: “U zult de waarheid kennen [niet negeren], en de waarheid zal u bevrijden” (Johannes 8:32).
Het geloof van een individu betreft “het verstand, de emoties, en de wil.” Ik houd van de manier waarop F.R. Beattie het zegt: “De heilige Geest bewerkt geen blind en ongefundeerd geloof in het hart.” (Beattie, A, 25)
“Geloof in het christendom”, schrijft Paul Little terecht, “is gebaseerd op bewijzen. Geloof in de christelijke zin van het woord gaat de rede te boven maar gaat er niet tegenin.” (Little, KWhyYB, 30) Geloof is de verzekerdheid van het hart van de toereikendheid van de bewijzen.
De christen wordt er dikwijls van beschuldigd een blinde “sprong in het duister” genomen te hebben, een idee dat nogal eens geworteld blijkt in Kierkegaard.
Voor mij was het christendom geen “sprong in het duister”, maar eerder een “stap in het licht”. Ik verzamelde alle bewijzen die ik vinden kon en legde ze op de weegschaal. De weegschaal sloeg door in de richting van Christus als de Zoon van God, opgewekt uit de doden. De bewijzen hellen zo overweldigend over naar Christus dat ik, toen ik christen werd, eerder “in het licht stapte” dan “in het duister sprong”.
Als ik “blind vertrouwen” zou hebben toegepast, had ik Jezus Christus verworpen en alle bewijzen de rug toegekeerd.
Pas op. Ik zeg niet dat ik hiermee een boven alle twijfel verheven bewijs geleverd heb dat Jezus de Zoon van God is. Wat ik gedaan heb is de bewijzen onderzoeken en de voors en tegens afwegen. De resultaten toonden aan dat Christus moest zijn wie Hij zei te zijn, en dat ik een besluit moest nemen – wat ik gedaan heb. De onmiddellijke reactie van velen is: “U hebt gevonden wat u wilde vinden.” Dat is niet het geval. Ik bevestigde door onderzoek wat ik wilde weerleggen. Toen ik begon, was het mijn bedoeling om het evangelie te ontkrachten. Ik had vooroordelen, niet ten gunste van Christus, maar tegen Hem.
Hume zou zeggen dat historisch bewijs ongeldig is omdat de “absolute waarheid” niet valt vast te stellen. Ik was niet op zoek naar absolute waarheid, maar eerder naar “historische waarschijnlijkheid”.
“Zonder objectief criterium”, zegt John W. Montgomery, “kan iemand onmogelijk een zinvolle keus maken uit apriori’s. De opstanding levert een basis van historische waarschijnlijkheid voor de toetsing van het christelijke geloof. Toegegeven, het is slechts een basis van waarschijnlijkheid, niet van zekerheid, maar waarschijnlijkheid is de enige grond waarop eindige menselijke wezens beslissingen kunnen nemen. Alleen deductieve logica en zuivere wiskunde geven “apodictische zekerheid”, en dat omdat zij voortkomen uit voor zich sprekende formele axioma’s (bijv. de tautologie als A dan A) waarbij geen feitelijkheden betrokken zijn. Zodra we het terrein van de feiten betreden, moeten we ons verlaten op waarschijnlijkheid; dit mag dan betreurenswaardig zijn, het is onvermijdelijk.” (Montgomery, SP, 141)
Ter afsluiting van zijn vier artikelen in het tijdschrift His schrijft John W. Montgomery dat hij “heeft getracht aan te tonen dat het gewicht van de historische waarschijnlijkheid ligt aan de zijde van de geldigheid van Jezus’ bewering dat Hij God in het vlees, de Redder van de mensheid en de komende Rechter van de wereld was. Als de waarschijnlijkheid deze beweringen ondersteunt (en kunnen we dat werkelijk ontkennen nadat we de bewijzen bestudeerd hebben?) dan moeten we handelen op die basis.” (Montgomery, HC, 19)



