4B. De Jezus van de geschiedenis is onkenbaar

“Indien iemand een historische studie van het leven van Jezus zou maken, zou hij een zeer opmerkelijk mens vinden, niet de Zoon van God.” Het wordt me soms ook wel eens zo meegedeeld: “Met de ‘moderne historische’ benadering zou niemand de opstanding ontdekken.”

Weet je, dat is waar. Voordat je tot ondoordachte conclusies komt, wil ik het wel uitleggen. Tegenwoordig is voor velen de studie van de geschiedenis vergroeid met de ideeën dat er geen God is, wonderen niet mogelijk zijn, we in een gesloten systeem leven, en het bovennatuurlijke niet bestaat. Met deze aannames of vooronderstellingen beginnen ze hun “kritische, open en eerlijke” onderzoek naar de geschiedenis. Wanneer ze het leven van Christus bestuderen en lezen over zijn wonderen of zijn opstanding, concluderen ze dat het geen wonder of opstanding was omdat we weten (niet historisch, maar filosofisch) dat er geen God is, dat we in een gesloten systeem leven, dat wonderen niet mogelijk zijn, en dat het bovennatuurlijke niet bestaat. Dus deze dingen zijn niet mogelijk. Ze hebben Christus’ opstanding al uitgesloten voordat ze een historisch onderzoek naar de opstanding begonnen zijn.

Deze vooronderstellingen zijn minder historische vooringenomenheden dan filosofische vooroordelen. Hun benadering van de geschiedenis rust op de “rationalistische vooronderstelling” dat Christus onmogelijk uit de doden opgewekt kon worden. In plaats van te beginnen met de historische gegevens, sluiten ze die uit door “metafysische speculatie”.

John W. Montgomery schrijft: “Het feit van de opstanding kan niet a priori, op filosofische gronden buiten beschouwing gelaten worden; wonderen zijn slechts onmogelijk wanneer men ze zodanig definieert – maar dergelijke definities sluiten fatsoenlijk historisch onderzoek uit.” (Montgomery, SP, 139-144)

Op dit vlak citeer ik nogal uitgebreid uit Montgomery omdat hij mij geprikkeld heeft in mijn denken over geschiedenis. Hij zegt: “Kant heeft overtuigend aangetoond dat alle argumenten en systemen beginnen met vooronderstellingen; maar dit betekent niet dat alle vooronderstellingen even begerenswaard zijn. Het is beter om, zoals wij, te beginnen met methodische vooronderstellingen (die waarheid opleveren) dan met inhoudelijke vooronderstellingen (die al een waarheid veronderstellen). In onze moderne wereld hebben we ontdekt dat de vooronderstellingen van de empirische methode het best aan deze voorwaarde voldoen; maar let op dat we alleen werken met de vooronderstellingen van de wetenschappelijke methode, niet met de rationalistische aannames van het Sciëntisme (‘de religie van de wetenschap’).” (Montgomery, SP,144)

Montgomery citeert Huizinga’s opmerkingen over historisch scepticisme (“De Historische Idee”, in zijn Verzamelde Werken VII, [Haarlem, 1950], 149):

Het gewichtigste argument echter tegen het historisch scepticisme is dit. Wie aan de mogelijkheid van juiste waarneming en overlevering ten opzichte der historie twijfelt, mag van die twijfel zijn eigen waarneming, oordeel, combinatie en interpretatie niet uitsluiten. Hij kan dien twijfel niet beperken tot zijn historische kritiek, maar is genoodzaakt, hem ook te laten gelden ten opzichte van zijn eigen leven. Hij bespeurt dan terstond, dat hem voor allerlei verhoudingen in zijn eigen leven, die hij als volstrekt vaststaand aanneemt, het afdoende bewijs niet alleen ontbreekt, maar dat het niet te leveren is. Kortom hij ziet zich gedwongen, om met het historische scepticisme ook het algemeen philosophische te aanvaarden. Het algemeen philosohphische scepticisme nu is een fraai gedachtenspel, maar men kan er niet naar leven.

Millar Burrows van Yale, de Amerikaanse expert op het gebied van de Dode Zeerollen, ook geciteerd door Montgomery, schrijft:

Er is een soort van christelijk geloof, … dezer dagen nogal sterk vertegenwoordigd, [dat] de beweringen van het christelijk geloof beschouwt als belijdenisuitspraken die door het individu als lid van de gemeenschap van gelovigen worden aanvaard, en die niet afhankelijk zijn van rede of bewijzen. Degenen die zo denken zullen niet erkennen dat historisch onderzoek iets te zeggen kan hebben over de uniciteit van Christus. Ze staan veelal sceptisch tegenover de mogelijkheid dat er iets te weten valt over de historische Jezus, en lijken er tevreden mee te zijn om dergelijke kennis terzijde te leggen. Ik kan dit gezichtspunt niet delen. Ik ben er diep van overtuigd dat de historische openbaring van God in Jezus van Nazaret de hoeksteen dient te zijn van elk geloof dat werkelijk christelijk is. Iedere historische vraag over de werkelijke Jezus die negentien eeuwen geleden in Palestina leefde is daarom van fundamenteel belang. (Montgomery, HC, 15, 16)

Montgomery voegt daaraan toe: Historische gebeurtenissen zijn “uniek, en de test voor hun feitelijke karakter kan alleen de geaccepteerde documentaire benadering zijn die wij hier hanteren. Geen enkele historicus kan recht doen gelden op een gesloten causaal systeem, want, zoals de logicus Max Black van Cornell University in een recent essay [“Models and Metaphors” (Ithaca: Cornell University Press, 1962), p. 16] heeft aangetoond, het hele concept van oorzakelijkheid is een ‘eigenaardig, onsystematisch, en wankel begrip’ en daarom zal ‘iedere poging om een “universeel causaliteitsprincipe” te definiëren, vergeefs blijken’.” (Montgomery, HC, 76)

De historicus Ethelbert Stauffer doet ons een aantal suggesties aan de hand voor onze benadering van de geschiedenis: “Wat doen wij [als historici] wanneer we op verrassingen stuiten die tegen al onze verwachtingen, en misschien wel al onze overtuigingen en zelfs het hele waarheidsbegrip van ons tijdvak, in gaan? We zeggen, zoals een grote historicus in dergelijke omstandigheden altijd zei: ‘Het is zeker mogelijk.’ En waarom ook niet? Voor de kritische historicus is niets onmogelijk.” (Montgomery, HC, 76)

De historicus Philip Schaff voegt aan het bovenstaande toe: “Het doel van de historicus is niet het construeren van een historie uit vooringenomen ideeën en die naar eigen believen aan te passen, maar om haar te reproduceren op basis van de beste bewijzen en haar voor zichzelf te laten spreken.” (Schaff, HCC, 175)

Robert M. Horn helpt ons om beter te zien hoe bevooroordeeld mensen zijn in hun benadering van de geschiedenis:

Om het op zijn duidelijkst te stellen, iemand die Gods bestaan ontkent zal niet in de Bijbel geloven. Een moslim, overtuigd dat God niet kan verwekken, zal het Woord van God, een boek dat leert dat Christus de eniggeboren Zoon van God is, niet aanvaarden. Sommige mensen geloven dat God niet persoonlijk is, maar meer het Fundament, de Grond van het Bestaan. Zulke mensen zullen geneigd zijn tot het verwerpen van de Bijbel als Gods persoonlijke zelfopenbaring. Vanuit hun vooronderstelling kan de Bijbel onmogelijk het persoonlijke woord van “Ik ben die Ik ben” zijn (Exodus 3:14). Anderen sluiten het bestaan van het bovennatuurlijke uit. Zij zullen niet snel geloven in het boek dat leert dat Christus uit de dood opstond. Weer anderen menen dat God zijn waarheid niet onverminkt kan doorgeven via zondige mensen; vandaar dat ze de Bijbel, in elk geval voor een deel, slechts als menselijk zien. (Green, RW, 10)

 


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate