Het verwerpen van Christus is vaak minder een kwestie van het verstand dan van de wil; minder “Ik kan niet”, dan “Ik wil niet”.
Ik ben veel mensen tegengekomen met intellectuele verontschuldigingen, maar slechts weinig (maar wel een paar) met intellectuele problemen. Verontschuldigingen kunnen tal van redenen bedekken. Ik heb een groot respect voor iemand die de tijd genomen heeft om onderzoek te doen naar Christus’ beweringen over zichzelf en tot de conclusie komt dat hij het gewoon niet kan geloven. Ik voel een band met iemand die weet waarom hij niet gelooft (feitelijk en historisch), want ik weet waarom ik wel geloof (feitelijk en historisch). Dit geeft ons een gemeenschappelijke basis (maar verschillende conclusies).
Ik heb ontdekt dat de meeste mensen Christus om één of meer van de volgende redenen afwijzen:
- onwetendheid: Romeinen 1:18-23 (dikwijls zelfopgelegd), Matteüs 22:29
- trots: Johannes 5:40-44
- morele kwesties: Johannes 3:19,20
Ik heb eens iemand gecounseld die genoeg had van het christendom omdat ze geloofde dat het niet historisch was en het feitelijk nergens op berustte. Ze had iedereen overtuigd dat ze gezocht had, en als het resultaat van haar universitaire studie op diepgaande intellectuele problemen gestuit was. De een na de ander was er niet in geslaagd haar te overtuigen van de waarheid over Christus omdat ze al haar beschuldigingen intellectueel benaderden.
Ik luisterde en stelde toen een aantal vragen. Binnen dertig minuten gaf ze toe dat ze iedereen voor de gek gehouden had en dat ze deze intellectuele twijfels ontwikkeld had als excuus voor haar morele leven.
We moeten antwoord geven op het grondprobleem, de echte vraag – niet op de oppervlakkige uitvluchten die vaak naar voren komen.
Een student aan een universiteit in New England zei dat hij een intellectueel probleem had met het christendom en daarom onmogelijk Christus als Verlosser kon aannemen. “Waarom kun je niet geloven?” vroeg ik hem. Hij antwoordde: “Het Nieuwe Testament is niet betrouwbaar.” Toen vroeg ik: “Als ik jou aantoon dat het Nieuwe Testament een van de meest betrouwbare stukjes literatuur uit de oudheid is, geloof je dan?” “Nee!”, wierp hij me toe, waarop ik antwoordde: “Jij hebt geen probleem met je verstand, maar met je wil.”
Na een toespraak over “De opstanding, misleiding of geschiedenis?” stortte een andere student aan diezelfde universiteit een lawine van vragen, gelardeerd met beschuldigingen, over me uit. (Later ontdekte ik dat hij dat bij de meeste christelijke sprekers deed.) Na een discussie van vijfenveertig minuten vroeg ik hem ten slotte: “Als ik jou een boven alle twijfel verheven bewijs lever dat Christus uit de doden is opgestaan en de Zoon van God is, wil je dan overwegen Hem aan te nemen?” Het onmiddellijke en nadrukkelijke antwoord was: “Nee!”
Michael Green citeert de atheïst Aldous Huxley, die talloze mensen van hun geloof heeft afgebracht en is binnengehaald als een groot intellectueel. Huxley erkent zijn eigen vooringenomenheid (Ends and Means, pp. 270vv.) als hij zegt:
Ik had een motief voor het feit dat ik niet wilde dat de wereld een bedoeling had; derhalve veronderstelde dat die bedoeling er niet was, en zonder enig probleem bevredigende redenen voor deze veronderstelling wist te vinden. De filosoof die geen zin en doel in de wereld vindt, is niet uitsluitend bezig met een puur metafysisch probleem, het gaat hem er ook om te bewijzen dat er geen geldige reden is waarom hij persoonlijk niet zou doen wat hij wil, of waarom zijn vrienden de politieke macht niet zouden grijpen en zo regeren als het hun belangen het beste dient … Voor mijzelf was de filosofie van de zinloosheid in wezen een instrument van bevrijding, seksueel en politiek. (Green, RW, 36)
Bertrand Russel is een voorbeeld van een intelligente atheïst die de bewijzen voor het christendom niet zorgvuldig onderzocht heeft. In zijn essay Why I am Not a Christian blijkt duidelijk dat hij zelfs niet heeft nagedacht over de bewijzen van en voor de opstanding van Jezus, en zijn opmerkingen doen twijfel rijzen of hij ooit wel één blik op het Nieuwe Testament geworpen heeft. Het lijkt ongerijmd dat iemand niet bereid is zich uitvoerig bezig te houden met de opstanding, omdat die de basis van het christendom vormt. (Green, RW, 36)
Jezus heeft gezegd: “Wie ernaar streeft te doen wat God wil, zal weten of mijn leer van God komt of dat Ik namens mezelf spreek” (Johannes 7:17).
Wanneer iemand Christus’ beweringen over zichzelf benadert in het verlangen om te weten of ze waar zijn, bereid om zijn instructies te volgen als ze inderdaad waar zijn, zal hij of zij er achter komen. Maar je kunt ze niet benaderen met een weigerachtige instelling en dan verwachten er achter te komen.
De Franse filosoof Pascal schrijft: “De bewijzen voor Gods bestaan en zijn geschenk zijn meer dan overtuigend, maar zij die volhouden dat ze Hem of zijn geschenk niet nodig hebben zullen altijd wegen vinden om het aanbod af te wijzen.” (Pascal, P, g.p.)



