1B. De postmoderne wereld

Een actuele trend in de filosofie, in het spoor van de Franse filosoof Jacques Derrida, is het deconstructionisme of postmodernisme. Deze visie benadrukt de relativiteit van alle betekenis en waarheid, en ontkent het bestaan van grondbeginselen – dat wil zeggen, de algemeen aanvaarde waarheden (bijv. ik besta) die het uitgangspunt vormen voor alle filosofische vragen. Hoewel de beweringen van deze denkrichting verwarrend kunnen zijn voor wie niet filosofisch geschoold is, domineert de praktische uitwerking ervan vandaag de dag het denken van de meeste mensen. Het gevolg is een compleet relativistische manier van denken over waarheid: er zijn geen absolute waarheden, alleen waarheden die relevant zijn voor individuen.

“Het christendom kan waar zijn voor jou, maar het is niet waar voor mij.” Dat is de misvatting van het relativisme, een centraal onderdeel van het postmodernisme. Het stelt dat het christendom waar kan zijn voor bepaalde mensen, op bepaalde plaatsen, en op bepaalde tijden, maar dat het niet waar is voor alle mensen, op alle plaatsen en in alle tijden. Het is relatief waar, niet absoluut of universeel waar.

Carl Henry toont aan dat het zaad voor het postmodernisme al gezaaid werd in de moderne tijd: “Het moderne tijdperk wilde de mensheid bevrijden van … lot of bestaan in een door God geordend heelal. De seculiere wetenschap beloofde een nieuwe vrijheid voor de mens en vooruitgang voor de planeet. De rationele ordening van de wereld werd verlegd naar de menselijke rede.” (Henry, PNS, zoals geciteerd in Dockery, CP, 36)

In het moderne tijdperk verving de menselijke rede dus het vertrouwen in God. In het postmoderne tijdperk zien we dat men zelfs een noodzakelijke begrenzing door de rede, en de daaruit voortvloeiende verantwoordelijkheden, afwijst.

Het postmodernisme verwerpt de gedachte dat overtuigingen de werkelijkheid adequaat kunnen weergeven. Henry merkt op: “De enige epistemische vooronderstelling die alle postmodernisten delen is hun verwerping van het fundamentalisme, de overtuiging dat kennis bestaat uit een verzameling overtuigingen die rust op een andere verzameling van overtuigingen en dat dit geheel gedragen wordt door onomkeerbare fundamentele overtuigingen.” (Henry, PNS, zoals geciteerd in Dockery, CP, 42)

Grenz vat samen: “Postmodernen concluderen dat elke poging tot het omschrijven van een objectief, samenbundelend middelpunt – één echte wereld – achter de voortdurende stroom aan ervaringen, tot mislukken gedoemd is; uiteindelijk zijn het alleen maar misleidende voortbrengselen van de menselijke geest. Door de menselijke interpretatie los te maken van de idee van een onderliggende objectieve wereld snijdt de postmoderne kritiek op het modernisme ons af van de dingen en laat ons slechts woorden over.” (Grenz, PP, 83, 84)

McCallum vat het postmoderne standpunt zo samen:

Maar hoe weten wij of de beelden die onze zintuigen in onze geest brengen werkelijk overeenkomen met de realiteit buiten onze geest? Uiteindelijk is de enige manier om daar zeker van te zijn, dat we uit onszelf treden en onze mentale beelden vergelijken met de werkelijke wereld. Maar aangezien we niet uit onszelf kunnen treden, kunnen we op geen enkele manier ontdekken of er een overeenkomst is. Wat overblijft is scepticisme.

Dit is een van de redenen waarom postmodernisten beweren dat empirische “objectiviteit” niet bestaat. Ze voeren het probleem van de representatie aan – hoe wij de werkelijkheid zien: geven onze percepties de buitenwereld accuraat weer? Postmodernisten zeggen van niet. Ze wijzen erop dat verschillende mensen dezelfde dingen verschillend zien. (McCallum, DT, 36)

Zo zouden zij zeggen dat we niet kunnen weten hoe Jezus echt was, dat we alleen maar een constructie kunnen maken op basis van onze persoonlijke taal.

Grenz voegt toe: “Postmoderne denkers … voeren aan dat we niet simpelweg geconfronteerd worden met een buitenwereld, maar dat we die wereld construeren met gebruik van door onszelf ingebrachte concepten. Ze beweren dat we naast onze eigen constructie van de wereld geen enkel vast punt hebben van waaruit we een puur objectieve blik kunnen werpen op welke mogelijke realiteit daarbuiten ook.” (Grenz PP, 41)

Rorty beweert: “Voor de postmodernist geldt niet dat ware zinnen waar zijn omdat ze overeenkomen met de werkelijkheid, en dus hoeven ze zich ook niet druk te maken over de vraag met wat voor soort werkelijkheid, als die er al is, een bepaalde zin overeenkomt – de vraag wat hem waar ‘maakt’.” (Rorty, CP, xvi)

Peter Kreeft en Ronald K. Tacelli van Boston College werpen tegen: “Waarheid is de overeenstemming van wat je weet of zegt, met wat er is. Waarheid is ‘het zeggen zoals het is’.” Ze vervolgen: “Helder en eenvoudig verwoord veronderstellen alle waarheidstheorieën het van gezond verstand getuigende waarheidsbegrip dat is vastgelegd in de taal en de gebruikstraditie, namelijk de overeenstemming (of gelijkheid) daarmee. Want elke theorie beweert dat ze werkelijk waar is, dat wil zeggen, overeenstemt met de werkelijkheid, en dat alle andere werkelijk onwaar zijn, dat wil zeggen, niet overeenstemmen met de werkelijkheid.” (Kreeft, HCA, 365, 366)

McCallum concludeert: “Dus, redeneren postmodernisten, we kunnen onmogelijk weten of de wetten van de taal en de wetten die over de werkelijkheid gaan, samenvallen. Het postmodernisme laat ons zitten met een alomtegenwoordig scepticisme, opgesloten in wat zij de gevangenis van de taal noemen. Werkelijkheid wordt gedefinieerd of geconstrueerd door cultuur en taal, niet ontdekt door middel van rede en observatie.” (McCallum, DT, 40, 41)

Henry vat samen: “Men verklaart teksten intrinsiek onbekwaam tot het overbrengen van waarheid over een bepaalde objectieve realiteit. De betekenis van de ene uitlegger is net zo goed als die van de andere, hoe tegenstrijdig ze ook mogen zijn. Er bestaat geen oorspronkelijke of uiteindelijke tekstuele betekenis, er is niet één manier om de Bijbel of welke tekst ook te interpreteren.” (Geciteerd in Dockery, CP, 36)

Rorty concludeert: “Uiteindelijk, vertelt de pragmaticus ons, is dat wat telt onze loyaliteit aan andere menselijke wezens die zich aan elkaar vastklemmen tegen de duisternis, niet onze hoop om het goed te doen.” (Rorty, CP, 166)

Grenz vat samen: “Het postmoderne wereldbeeld werkt met een op de gemeenschap gebaseerd waarheidsbegrip. Het verklaart dat alles wat wij als waarheid aannemen, en zelfs de manier waarop we waarheid zien, afhankelijk is van de gemeenschap waarvan we deel uitmaken. Bovendien, en veel radicaler, stelt het postmoderne wereldbeeld dat deze relativiteit verder reikt dan onze waarnemingen van de waarheid, en in wezen betekent: er is geen absolute waarheid; waarheid is relatief voor de gemeenschap waarvan wij deel uitmaken.” (Grenz, PP, 8)

Dat is een beangstigend gezichtspunt wanneer je bedenkt wat de gemeenschap van Nazi-Duitsland als waarheid definieerde!

Norman Geisler toont de praktische voortvloeisels van de postmoderne logica: “Dat zou betekenen dat Billy Graham de waarheid spreekt wanneer hij zegt: ‘God bestaat’, en Madalyn Murray O’Hare ook gelijk heeft wanneer zij beweert: ‘God bestaat niet.’ Maar deze beweringen kunnen niet allebei waar zijn. Als de ene waar is, is de andere onwaar. En aangezien andere mogelijkheden uitgesloten zijn, moet één ervan waar zijn.” (Geisler, BECA, 745)

Geisler voert ook aan: “Als waarheid relatief is, heeft er nooit iemand ongelijk – zelfs niet wanneer dat wel het geval is. Zolang iets voor mij waar is, heb ik gelijk, zelf al heb ik ongelijk. Het nadeel is dat ik ook nooit iets zou leren, want leren is van een onware overtuiging overgaan naar een ware – dat wil zeggen, van een absoluut onware overtuiging naar een absoluut ware.” (Geisler, BECA, 745)

Kreeft en Tacelli zeggen over de populariteit van dit soort denken: “Misschien is de primaire oorsprong van het huidige subjectivisme, zeker in Amerika, wel het verlangen om aanvaard te worden, ‘in’ te zijn, modieus, avant garde, ingewijd, in plaats van ouderwets of stijf te zijn en er buiten te staan. We leren dit allemaal als kind – voor gek staan is absoluut de grootste angst van een tiener – maar wanneer we volwassen worden verbergen we het onder meer geraffineerde, academische vermommingen.” (Kreeft, HCA, 381)

Een andere bron van subjectivisme is, volgens Kreeft en Tacelli, de angst voor radicale veranderingen – dat wil zeggen, de angst voor bekering, ‘wedergeboren’ worden, de angst om heel je leven en je wil aan Gods wil toe te wijden. Subjectivisme is veel comfortabeler, als een moederschoot, of een droom, of een narcistische fantasie.” Kreeft, HCA, 381)

Van Inwagen mijmert over het verbijsterende feit dat sommige mensen de objectiviteit van de waarheid ontkennen:

Het meest interessante van objectieve waarheid is dat er mensen zijn die ontkennen dat ze bestaat. Je kunt je afvragen hoe iemand kan ontkennen dat er zoiets als objectieve waarheid bestaat. Ik ben er redelijk zeker van dat voor sommige mensen dit de verklaring is: ze staan uiterst vijandig tegenover de gedachte dat er iets, op welke manier dan ook, een oordeel over hen zou vellen. Het idee waar ze het meest vijandig tegenover staan is natuurlijk het idee dat God bestaat. Maar ze staan bijna net zo vijandig tegenover het idee dat er een objectief heelal bestaat dat zich niets aantrekt van wat zij denken en hun meest gekoesterde overtuigingen onwaar kan maken zonder hen zelfs maar te raadplegen. (Van Inwagen, M, 59)

De claims van het christendom steken helder af tegen de warrige wereld van het postmoderne taalgebruik. Jezus liet er geen twijfel over bestaan dat Hij de enige remedie voor de mens is, zijn enige hoop op verzoening met God. Jezus zei: “Ik ben de weg, de waarheid en het leven. Niemand kan bij de Vader komen dan door Mij” (Johannes 14:6). En de implicatie van Jezus’ woorden is de kerk niet ontgaan. Toen de apostel Petrus door de Joodse godsdienstleiders gedwongen werd om zijn gedrag te verantwoorden, zei hij onverbloemd: “[Nu] dient u allen en het hele volk van Israël te weten dat deze man hier gezond voor u staat dankzij de naam van Jezus Christus uit Nazaret, die door u gekruisigd is, maar die door God uit de dood is opgewekt. Jezus is de steen die door u, de bouwlieden, vol verachting is weggeworpen, maar die nu de hoeksteen geworden is. Door niemand anders kunnen wij worden gered, want zijn naam is de enige op aarde die de mens redding biedt” (Handelingen 4:10-12).

Voor wie de beweringen van het christendom evalueert, doemt een duidelijke keus op: of Jezus Christus is het antwoord voor alle mensen in alle tijden en in alle plaatsen, of Hij is het antwoord voor niemand, in geen enkele tijd en in geen enkele plaats. Als Hij slechts een psychologische toeverlaat is voor sommige mensen, vloeit daaruit voort dat Hij niet het noodzakelijke voorwerp van geloof voor alle mensen is. En omgekeerd, wanneer Jezus Heer en God is, dan houdt dit feit niet op met waar te zijn omdat iemand ervoor kiest het niet te geloven.
Peter van Inwagen legt uit dat “overtuigingen en beweringen net zo verhouden tot de wereld als een kaart zich verhoudt tot een gebied: het is aan de kaart om het gebied goed weer te geven, en als de kaart het gebied niet goed weergeeft, is dat de fout van de kaart en niet de fout van het gebied.” (Van Inwagen, M, 56)

In een toepassing op het echte leven voegt Van Inwagen daaraan toe: “Als jouw vriend Fred op iets wat jij gezegd hebt reageert met de woorden: ‘Dat mag waar zijn voor jou, maar het is niet waar voor mij’, dan kunnen zijn woorden alleen maar geïnterpreteerd worden als een nogal misleidende manier om te zeggen: ‘Dat mag zijn wat jij denkt, maar dat is niet wat ik denk.’” (Van Inwagen, M, 56, 57)

Bovendien, volgens Mortimer J. Adler zijn beweringen als “Dat kan waar geweest zijn in de middeleeuwen, maar dat is niet langer waar” of “Dat kan waar zijn voor primitieve volken, maar dat is niet waar voor ons” gebaseerd op twee soorten verwarring. Soms wordt waarheid verward met wat een meerderheid op een bepaald moment in een bepaalde plaats denkt dat waar is, zoals in het volgende voorbeeld: “Een deel van het menselijke ras hield het een aantal eeuwen geleden voor waar dat de aarde plat was. Die onware veronderstelling wordt nu algemeen verworpen. Dit moeten we niet zo uitleggen alsof de objectieve waarheid veranderd zou zijn – wat eens waar was, is nu niet meer waar. Waarin verandering gekomen is, is niet de waarheid van de zaak, maar de gangbaarheid van een mening die niet meer algemeen wordt aangehangen.” Een tweede soort verwarring is het gevolg wanneer de ruimtelijke of temporele context van een bewering genegeerd wordt: “Het bevolkingscijfer van een land verandert door de tijd heen, maar een bewering over de grootte van de bevolking van een land op een bepaald moment blijft waar, ook wanneer deze, op een later moment, is toegenomen. De datumvermelding in een verklaring over de bevolkingsgrootte van de Verenigde Staten in een bepaald jaar zorgt ervoor dat die verklaring voor altijd waar blijft, mits ze in eerste instantie waar was.” (Adler, SGI, 43)

Zelfs volgens de agnosticus Bertrand Russel is waarheid niet relatief ten opzichte van ons denken: “Het zal blijken dat ons denken geen waarheid of onwaarheid voortbrengt. Het brengt overtuigingen voort, maar zodra die overtuigingen voortgebracht zijn, kan het denken ze niet waar of onwaar maken, behalve in het speciale geval dat ze toekomstige zaken betreffen die binnen de macht van de persoon met de overtuiging liggen, zoals het halen van een trein. Wat een overtuiging waar maakt is een feit, en dit feit heeft niets (behalve in uitzonderingsgevallen) uit te staan met het denken van de persoon die de overtuiging heeft.” (Russell, PP, 129,130)

“De waarheid of onwaarheid van een bewering”, vervolgt Adler, “wordt afgeleid van haar relatie met controleerbare feiten, niet van haar relatie met de oordelen van menselijke wezens. Ik kan een bewering als waar aanmerken die feitelijk onwaar is. Jij kunt een bewering als onwaar afwijzen die feitelijk waar is. Mijn bevestiging en jouw ontkenning hebben geen enkele invloed op de waarheid van de bewering die jij en ik onterecht beoordeeld hebben. We maken beweringen niet waar of onwaar door ze te bevestigen of te ontkennen. Ze zijn waar of onwaar ongeacht wat wij denken, welke meningen wij toegedaan zijn, welke oordelen wij vellen.” (Adler, SGI, 41)

Dr. William Lane Craig zegt over het postmodernisme: “Stellen dat ‘de waarheid is dat er geen waarheid is’ is zowel een interne tegenspraak als arbitrair. Want als deze bewering waar is, is ze niet waar, omdat waarheid niet bestaat. We kunnen het zogenaamde deconstructionisme dus niet tegenhouden zichzelf te deconstrueren. Bovendien is er ook geen enkele reden voor het aannemen van het postmoderne standpunt in plaats van, bijvoorbeeld de visie van het westerse kapitalisme, het mannelijke chauvinisme, het blanke racisme, enzovoort, aangezien het postmodernisme niet meer waarheid bevat dan deze gezichtspunten.“ (Craig, zoals geciteerd in Phillips, CAPW, 82)

Craigs punt toont het gevaar van het postmoderne denken. Als er geen objectieve waarheid is, is er niets wat fout of verkeerd is. Wat de meeste mensen als weerzinwekkend zouden beschouwen (bijvoorbeeld moord, stelen, en, in het verleden, liegen) moeten we nu accepteren omdat het voor sommige mensen aanvaardbaar is.
James Sire onthult een andere postmoderne inconsequentie: “Hoewel ultramodernisten (postmodernisten) zouden moeten zeggen dat ze nooit een verhaal zijn tegengekomen dat hun niet aanstond, is dat duidelijk wel het geval. Christenfundamentalistische en evangelische verhalen worden dikwijls verworpen vanwege hun exclusiviteit. (Sire, BFCIN, zoals geciteerd in Phillips, CAPW, 120)

McCallum brengt te berde:

Postmodernisten menen dat het feit dat we niet uit onszelf kunnen treden om onze mentale beelden te vergelijken met de werkelijkheid, ons dwingt tot het verwerpen van het idee dat we de werkelijkheid objectief kunnen kennen. Wij zouden daar tegenin brengen dat onze oordelen over de wereld, hoewel niet feilloos, openstaan voor herziening op basis van verder onderzoek. Dat we geen absolute zekerheid hebben over de externe wereld betekent niet dat we niets weten over wat er buiten ons bestaat. We hoeven ons niet te wentelen in postmodern scepticisme.
Het succes van de wetenschappelijke technologie is een sterk argument voor de relatieve nauwkeurigheid van ons besef van de wereld. Talloze prestaties getuigen van de betrouwbaarheid van de menselijke kennis. (McCallum, DT, 52)

Zo bleken de berekeningen van de wiskundigen die moesten bepalen welke banen en versnellingen nodig waren om een mens op de maan te laten landen, juist te zijn. Neil Armstrong zette werkelijk zijn voet op de maan!

Je zou niet lang kunnen functioneren of leven als je consequent deed alsof waarheid een kwestie van gezichtspunt was in plaats van een objectieve realiteit. Je zou je cheques terugkrijgen als er alleen “voor jou” geld op je bankrekening stond, je zou gif drinken als het “voor jou” limonade was, je zou door dun ijs zakken als het “voor jou” dik was of door een bus worden aangereden als die “voor jou” stilstond. Voor iemand die in deze wereld effectief wil functioneren kan het objectief overeenkomen van waarheid en werkelijkheid in bepaalde zin niet anders dan relevant zijn.

Nog gevaarlijker voor de mensheid zijn diegenen die alleen volgens een op waarneming gebaseerde kijk op de waarheid leven wat hun morele gedrag betreft.

Ten slotte: als het postmodernisme waar is, dan is het huwelijk een onmogelijkheid, want een man hoeft dan niet echt te luisteren en te begrijpen wat zijn vrouw zegt. Hij kan er zijn eigen betekenis aan verbinden. En dat, hebben de meeste mannen door de jaren heen wel geleerd, brengt ze diep in de problemen.


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate