Aangezien de meeste mystici zich keren tegen een dualistisch wereldbeeld, zoals goed tegenover fout, of waarheid tegenover dwaling, geldt voor de mysticus dat bewijzen voor geloof er niet toe doen. Het gevaar van een oosters mystiek gezichtspunt is dus het mijden van informatie die leidt tot de ware kennis van God.
Een van de meest populaire vormen van oosterse mystiek is het zenboeddhisme.
Norm Anderson definieert mystiek als volgt: “In algemene termen staat [de mystiek] voor het geloof dat rechtstreekse kennis van God, of geestelijke waarheid of uiteindelijke werkelijkheid, bereikbaar is ‘door onmiddellijke intuïtie of inzicht en op een andere manier dan via normale zintuiglijke waarneming of logisch redeneren’ (Webster’s New Collegiate Dictionary).” Anderson CWR, 37)
Anderson vertelt ons hoe de zen tot deze kennis van de ultieme werkelijkheid komt: “Zenboeddhisten geloven dat ze door rigoureuze zelfdiscipline en een strikt voorgeschreven meditatietechniek komen tot satori, de Japanse term voor ‘verlichting’ – of dat nu plotseling gebeurt, zoals sommigen leren, of geleidelijk, zoals anderen menen – door middel van een perceptie die eerder empirisch dan intellectueel is. “ (Anderson, CWR, 88)
D.T. Suzuki stelt ronduit: “Zen volgt niet de routine van het redeneren, en vindt het niet erg zichzelf tegen te spreken of inconsequent te zijn.” (Suzuki, LZ, 94) En hij zegt ook: “Zen is zeker geen op logica en analyse gebaseerd systeem. Het is hooguit de tegenvoeter van de logica, waarmee ik de dualistische manier van denken bedoel.” (Suzuki, IZB, 38)
Suzuki definieert satori als radicaal verschillend van rationele kennis: “Satori kan gedefinieerd worden als een intuïtief schouwen in de aard van de dingen, in tegenstelling tot het analytische of logische doorgronden ervan.” (Suzuki, EZBI, 230)
Een gevolg is dat zenboeddhisten en andere mystici over het algemeen het gebruik van logica mijden. De filosoof William Lane Craig neemt verschillende logische ongerijmdheden in de beweringen van de mystiek onder de loep:
Nu zullen vele mensen onder invloed van de oosterse mystiek ontkennen dat systematische consistentie een toets voor de waarheid is. Ze stellen dat de werkelijkheid uiteindelijk onlogisch is of dat logische tegenstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid. Ze zeggen dat in het oosterse denken het Absolute of God of de Werkelijkheid de logische categorieën van menselijk denken overstijgen. Ze zijn geneigd de vraag naar logische consistentie te interpreteren als een stukje westers imperialisme dat samen met andere overblijfselen van het kolonialisme van de hand gewezen zou moeten worden…. Ik ben geneigd om openlijk te zeggen dat dergelijke standpunten krankzinnig en niet te vatten zijn. Zeggen dat God in dezelfde betekenis zowel goed als niet goed is of dat God noch bestaat, noch niet bestaat is voor mij gewoonweg onbegrijpelijk. In ons politiek correcte tijdperk bestaat een tendens om alles wat westers is zwart te maken en oosterse denkwijzen zo te verheffen dat ze minstens gelijkwaardig, zo niet superieur zijn aan westerse denkwijzen. Wie stelt dat het oosterse denken ernstig tekortschiet als het dergelijke beweringen doet wordt afgeschreven als een soort epistemologische fanaticus, geoogklept met de beperkingen van de sofistisch redenerende westerse geest. (Craig, PIS, zoals geciteerd in Phillips, CAPW, 78-81)
Als je moeite hebt met de wetten van de logica, zul je problemen hebben met de bewijzen die in dit boek worden aangevoerd. Deze bewijzen brengen je bijvoorbeeld tot de conclusie dat Jezus of lichamelijk uit het graf opstond, of niet. Er is een keus. Je kunt geen zowel/als redenering loslaten op de vraag of Jezus wel of niet uit de doden werd opgewekt.
Ravi Zacharias vertelt een verhaal dat licht werpt op de nutteloosheid van de oosters mystieke zowel/als argumentatie.
Het betoog van de professor werd gaandeweg enthousiaster. Hij sprak uitgebreid over het non-contradictieprincipe, en kwam uiteindelijk tot de conclusie: “Deze [of/of] logica is een westerse manier van kijken naar de werkelijkheid. Het echte probleem is dat je als westerling zoekt … naar tegenspraak terwijl je het als de oosterling zou moeten benaderen. Het zowel/als is de oosterse manier van kijken naar de werkelijkheid.”
Nadat hij een tijd over deze twee ideeën van of/of en zowel/als had uitgewijd… vroeg ik hem ten slotte of ik zijn constante gedachtestroom mocht onderbreken en één vraag stellen. … Ik zei: “Meneer, vertelt u mij dat ik wanneer ik het hindoeïsme bestudeer of het logische zowel/als-systeem gebruik, of anders niets?”
Er ontstond een doodse stilte die een eeuwigheid leek te duren. Ik herhaalde mijn vraag: “Vertelt u mij dat ik wanneer ik het hindoeïsme bestudeer of het logische zowel/als-systeem gebruik, of niets? Begrijp ik dat goed?”
Hij gooide zijn hoofd achterover en zei: “Daar lijkt het of/of op te duiken, niet?”
“Inderdaad, dat duikt hier op”, zei ik. “En om de waarheid te zeggen, zelfs in India kijken we naar allebei de kanten voordat we de straat oversteken – het is of de bus, of ik, en niet wij allebei.”
Zie je de fout die hij maakte? Hij gebruikte de of/of logica om het zowel/als te bewijzen. Hoe meer je inhakt op het non-contradictieprincipe, hoe meer het inhakt op jou. (Zacharias, CMLWG, 129)
Zacharias wijst ook op wat velen niet erkennen met betrekking tot de oosterse filosofie: “De hele onderwijsmethode van de grootste hindoefilosoof Shankara was behoorlijk Socratisch, aangezien hij ideeën niet op dialectische wijze beargumenteerde, zowel/als, maar op een non-contradictoire methode, of/of. Hij had de gewoonte zijn tegenstanders uit te dagen om te bewijzen dat hij ongelijk had, en zo niet, zich aan zijn gezichtspunt over te geven. Het punt is dus niet of we een oosterse logica of een westerse logica gebruiken. We gebruiken de logica die de werkelijkheid het beste weergeeft, en zowel het Oosten als het Westen veronderstelt impliciet of expliciet het non-contradictieprincipe.” (Zacharias, CMLWG, 130)
Ronald Nash voegt toe: “Het non-contradictieprincipe betreft niet alleen het denken. Het betreft het denken omdat het in eerste instantie het zijn betreft. Deze wetmatigheid is ook geen kwestie van graag of niet. Het ontkennen van het principe van non-contradictie leidt tot ongerijmdheden. Het is onmogelijk om de wetten van de logica te ontkennen en toch nog iets van zin of betekenis te handhaven. Als het non-contradictieprincipe ontkend wordt, is er niets wat betekenis heeft. Als de wetten van de logica niet allereerst betekenen wat ze zeggen, is er niets wat betekenis heeft, inclusief de ontkenning van die wetten.” (Nash, WVC, 84)
Het getuigenis van ex-hindoe Ranbindranath Maharai illustreert het dilemma van iedereen die de pantheïstische mystiek van het Oosten aanvaardt:
Mijn religie was prachtig in theorie, maar ik had serieuze problemen met het toepassen ervan in het dagelijkse leven. Bovendien was het niet puur een kwestie van mijn vijf zintuigen tegenover mijn innerlijke beelden. Het was een kwestie van verstand… Als er maar één Werkelijkheid was, dan was het brahman zowel goed als slecht, dood als leven, haat als liefde. Daarmee werd alles betekenisloos, het leven een ongerijmdheid…. Het leek onredelijk: maar ik [werd eraan herinnerd] dat de Rede niet te vertrouwen was – ze maakte deel uit van de illusie. Als de rede ook maya was – zoals de veda’s leerden – was er toch geen enkel concept dat ik kon vertrouwen, inclusief het idee dat alles maya was en alleen het brahman echt was? Hoe kon ik er zeker van zijn dat de gelukzaligheid die ik zocht niet ook een illusie was, als geen enkele van mijn waarnemingen of redeneringen te vertrouwen was? (Maharai, DG, 104)
Norman Geisler stelt deze prangende vraag: “Als wij een drukke straat oversteken en het verkeer in drie banen op ons af zien komen, hoeven we ons daar dan totaal niet druk over te maken omdat het toch maar een illusie is? Waarom zouden we de moeite nemen om te kijken of er auto’s aankomen als wijzelf, het verkeer en de straat niet werkelijk bestaan? Als pantheïsten hun pantheïsme werkelijk consequent in praktijk brachten, zouden er dan nog pantheïsten over zijn?” (Geisler, WA, 102)
Francis Schaeffer vertelt een verhaal dat de onwerkbaarheid van de ontkenning van het logische dualisme illustreert:
Op een dag sprak ik met een groep mensen in de kamer van een jonge Zuid-Afrikaan aan de universiteit van Cambridge. Er was onder andere een jonge Indiër met een Sikh-achtergrond, die echter het hindoegeloof aanhing. Hij begon heftig tegen het christendom te ageren, maar zag niet echt het problematische van zijn eigen overtuigingen. Daarom zei ik: “Heb ik gelijk als ik zeg dat op basis van jouw geloof wreedheid en niet-wreedheid uiteindelijk gelijk zijn, dat er geen intrinsiek verschil tussen bestaat? Hij zei dat dat klopte. De student in wiens kamer we waren, die duidelijk de implicaties zag van wat de Sikh had toegegeven, pakte zijn ketel met kokend water waarmee hij op het punt stond om thee te maken en hield hem al stomend boven het hoofd van de Indiër. De man keek omhoog en vroeg hem wat hij deed. Hij zei, met een kille, maar vriendelijke beslistheid: “Er bestaat geen verschil tussen wreedheid en niet-wreedheid.” Daarop liep de hindoe weg, de nacht in. (Schaeffer, CWFS, 1:110)



