De scepticus David Hume sloot zijn bekende Enquiry Concerning Human Understanding af met deze uitdaging: “Als wij ongeacht welk boek ter hand nemen – over theologie of schoolmetafysica, bijvoorbeeld – laten we dan de vraag stellen: ‘Bevat het abstracte redeneringen over eigenschap of aantal?’ Nee. ‘Bevat het experimentele redeneringen over feitelijke of existentiële kwesties?’ Nee. Vertrouw het dan toe aan het vuur: want het kan niets bevatten dan spitsvondigheid en illusie.” (Hume, ECHU, 12.2)
Is er enig overtuigend bewijs dat een individu kan bevrijden van de leegheid van scepticisme, agnosticisme, en atheïsme? Van de tegenstrijdigheden van het postmodernisme? Of van de misleidende emoties van het mysticisme? Ik geloof dat het er zeker is.
In The Atheïst Debater’s Handbook werpt B.C. Johnson onze deze uitdaging voor de voeten: “Als God bestaat, zijn daar bewijzen voor; er zullen tekenen opduiken die in de richting van een dergelijke conclusie wijzen.” Johnson, ADH, 15)
Deze lesaantekeningen gaan de uitdaging van Hume en Johnson aan. Ze presenteren bewijzen, precies zoals Hume vroeg, in termen van eigenschap en aantal, en nog veel meer, waarmee een redelijk denkende persoon kan ontdekken dat God zich tot ons heeft uitgestrekt in de persoon van Jezus Christus.
Ik ben het met Johnson eens dat er bewijs bestaat – en feitelijk is het al opgedoken – dat wijst op Gods bestaan. Dat bewijs is zelfs op zo’n speciale manier opgedoken dat het duidelijk is dat God wil dat we meer weten dan dat Hij alleen maar bestaat. Hij wil dat we weten dat we Hem kunnen kennen.



