Hij heeft mijn leven veranderd

Thomas van Aquino schreef: “Iedere ziel kent een dorst naar geluk en zingeving.” Als tiener was ik een illustratie van deze bewering. Ik wilde gelukkig zijn en zocht naar zin in mijn leven. Ik wilde antwoord op drie basale vragen: Wie ben ik? Waarom ben ik hier? Waar ga ik heen? Dit zijn de moeilijke vragen van het leven. Ik schat dat 90 procent van de mensen onder de veertig deze vragen niet kunnen beantwoorden. Maar ik was dorstig om te weten wat het leven inhield. En dus ging ik als jong studentje op zoek naar antwoorden.

In mijn omgeving leek iedereen iets met religie te hebben. Ik dacht dat ik mijn antwoorden misschien zou vinden in godsdienstigheid, en dus begon ik naar de kerk te gaan. Ik dook er voor 150 procent in. Ik ging ’s ochtends, ’s middags en ’s avonds naar de kerk. Maar ik denk dat ik naar de verkeerde ging, want ik voelde me in de kerk beroerder dan daarbuiten. Zo’n beetje het enige wat ik overhield aan mijn religieuze ervaring was vijfenzeventig cent per week: ik legde een kwartje op de collecteschaal en haalde er een dollar af om een milkshake van te kopen!

Ik groeide op op een boerderij in Michigan. Mijn vader, die boer was, leerde me: “Als iets niet werkt, dump je het.” En dus dumpte ik religie.

Toen dacht ik dat opleiding misschien een antwoord zou kunnen geven in mijn zoektocht naar geluk en zingeving. Dus schreef ik me in bij de universiteit. Wat een teleurstelling! Ik heb in mijn leven waarschijnlijk meer universiteitscampussen gezien dan wie ook, en er is van alles te vinden aan de universiteit, maar als je er heen gaat voor waarheid en zingeving kun je het eigenlijk wel schudden.

Ik weet zeker dat ik verreweg de meest onpopulaire student was bij de staf van de eerste universiteit waar ik studeerde. Op zoek naar de antwoorden op mijn vragen had ik de gewoonte om professoren in hun kamer aan te klampen. Als ze me zagen aankomen, deden ze het licht uit, trokken de luxaflex naar beneden en deden de deur op slot om maar niet met me te hoeven praten. Al snel realiseerde ik me dat de universiteit niet de antwoorden had die ik zocht. Stafleden en medestudenten hadden net zoveel problemen, frustraties, en onbeantwoorde vragen over het leven als ik. Een paar jaar geleden zag ik een student rondlopen in een T-shirt met op zijn rug de tekst: “Volg mij niet, ik ben verdwaald.” Opleiding was het antwoord niet!
Prestige, dat moest het zijn, besloot ik. Het leek heel mooi om een nobele zaak te vinden, jezelf eraan te geven, en een bekende persoon te worden. De mensen die het meeste aanzien hadden op de universiteit, en die ook de financiële touwtjes in handen hadden, waren de studentenvoorzitters. Dus deed ik mee met verschillende verkiezingen voor bestuursfuncties, en ik werd gekozen. Het was geweldig om iedereen op de campus te kennen, belangrijke beslissingen te nemen, en het geld van de universiteit te besteden met het doen van de dingen waar ik zin in had. Maar al snel was de lol er af, net als met al het andere wat ik geprobeerd had.

Elke maandagochtend werd ik wakker met hoofdpijn vanwege de manier waarop ik de avond ervoor had doorgebracht. Ik had een houding van: Daar gaan we weer, nog vijf duffe dagen voor de boeg. Geluk zat voor mij in die drie feestavonden: vrijdag, zaterdag en zondag. En dan begon het hele saaie cirkeltje weer opnieuw. Ik voelde me gefrustreerd, wanhopig zelfs. Ik was er op uit om mijn identiteit en doel in het leven te vinden. Maar met alles wat ik probeerde bleef ik leeg en zonder antwoorden achter.

Rond die tijd viel mijn oog op een klein groepje mensen op de campus – acht studenten en twee stafleden – die iets bijzonders hadden. Het leek wel of zij wisten waar ze in het leven naar op weg waren. En ze hadden een eigenschap die ik intens bewonder in mensen: overtuiging. Ik vind het heerlijk om op te trekken met mensen die een overtuiging hebben, zelfs wanneer hun overtuiging niet de mijne is. Er is een bepaalde dynamiek in het leven van mensen met diepe overtuigingen en ik geniet van die dynamiek.

Maar er was meer aan dat groepje dat mijn aandacht trok – liefde. Deze studenten en docenten hielden niet alleen van elkaar, ze gaven ook om mensen buiten hun groep. Ze praatten niet alleen over liefde; ze lieten zich ook meevoeren in het liefhebben van anderen. Dat was iets wat mij volkomen vreemd was, en ik wilde het ook hebben. Dus besloot ik vriendschap te sluiten met deze mensen.

Zo’n twee weken later zat ik aan een tafeltje in het verenigingsgebouw te praten met een paar leden van dit groepje. Al snel kwam het gesprek op God. Ik voelde me nogal onzeker over het onderwerp, en dus zette ik een stoer gezicht. Ik leunde achterover in mijn stoel en deed alsof het me volkomen koud liet. “Het christendom, ha!” bralde ik. “Dat is voor zwakkelingen, niet voor intellectuelen.” Diep in mijn hart wilde ik heel graag hebben wat zij hadden. Maar gezien mijn trots en mijn positie aan de universiteit wilde ik niet dat zij dat wisten. Toen keerde ik me naar een van de meisjes in de groep en zei: “Vertel me eens, wat heeft jullie leven veranderd? Waarom zijn jullie zo anders dan de andere studenten en stafleden?”
Ze keek me recht in de ogen en zei twee woorden die ik nooit verwacht had te horen in een intelligente discussie op een universiteitscampus: “Jezus Christus.”
“Jezus Christus?” knalde ik eruit. “Kom bij mij niet met dat soort onzin aanzetten. Ik heb het helemaal gehad met religie, de Bijbel, en de kerk.”
“Meneer,” riposteerde ze, “Ik zei niet ‘religie’, ik zei ‘Jezus Christus’.”
Verrast en in verlegenheid gebracht door haar moed en overtuiging, verontschuldigde ik me voor mijn houding. “Maar godsdienst en godsdienstige lui hangen me echt de keel uit”, voegde ik eraan toe. “Ik wil er niets mee te maken hebben.”

Toen gaven mijn nieuwe vrienden me een ongelofelijke uitdaging. Ze daagden mij, een beginnende rechtenstudent, uit om rationeel te onderzoeken of de bewering dat Jezus Christus Gods Zoon is, waar was. Dat vond ik wel heel grappig. Die christenen waren zo dom. Hoe kon iets onbenulligs als het christendom een intellectuele analyse doorstaan? Ik spotte met hun uitdaging.

Maar ze waren vasthoudend. Dag in, dag uit bleven ze me op me inpraten, en ten slotte wisten ze me in de hoek te drukken. Hun vasthoudendheid begon me zo te irriteren dat ik uiteindelijk hun uitdaging aannam, niet om iets te bewijzen, maar om hen op hun plaats te zetten. Ik besloot een boek te schrijven dat het christendom tot een intellectuele aanfluiting zou maken. Ik verliet de universiteit en trok de Verenigde Staten en Europa door om bewijsmateriaal te verzamelen om aan te tonen dat het christendom een schijnvertoning is.

Op een dag, toen ik in een bibliotheek in Londen zat, hoorde ik een stem van binnen zeggen: “Josh, je hebt geen been om op te staan.” Ik onderdrukte hem onmiddellijk. Maar na die dag hoorde ik zo ongeveer dagelijks diezelfde innerlijke stem. Hoe meer onderzoek ik deed, hoe vaker ik die stem hoorde. Ik ging terug naar de Verenigde Staten en de universiteit, maar ik sliep niet meer. Ik ging om tien uur naar bed en lag dan tot vier uur in de ochtend wakker, steeds maar proberend om mijn groeiende voorraad overweldigende bewijzen dat Jezus Christus Gods Zoon was, te weerleggen.

Ik begon in te zien dat ik intellectueel oneerlijk was. Mijn hersenen vertelden me dat de beweringen van Jezus Christus inderdaad waar waren, maar mijn wil werd de andere kant op getrokken. Ik had zoveel nadruk gelegd op waarheidsvinding, maar toen ik de waarheid gevonden had was ik niet bereid haar te volgen. Ik voelde steeds duidelijker Christus’ persoonlijke uitdaging uit Openbaring 3:20: ”Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zaI Ik binnenkomen, en we zullen samen eten, Ik met hem en hij met Mij.” Maar christen worden leek de nekslag voor mijn ego. Ik zou geen snellere manier kunnen bedenken om al mijn pleziertjes te vergallen.

Ik wist dat ik dit innerlijke conflict moest oplossen, want ik werd er gek van. Ik had mezelf altijd als een ruimdenkend mens gezien, en daarom besloot ik Christus’ beweringen aan de ultieme test te onderwerpen. Op een avond in mijn eigen huis in Union City, in Michigan, aan het einde van mijn tweede jaar aan de universiteit, werd ik christen. Iemand zegt misschien: “Hoe weet je dat je christen werd?” Ik was erbij! Ik nodigde een christelijke vriend uit en bad de volgende vier dingen waarmee ik mijn relatie met God begon.


Ten eerste zei ik: “Heer Jezus, dank U wel dat U voor mij aan het kruis gestorven bent.” Ik realiseerde me: al was ik de enige persoon op aarde, dan was Christus nog voor me gestorven. Je denkt misschien dat de onweerlegbare rationele bewijzen mij tot Christus brachten. Maar nee, die bewijzen waren alleen maar Gods middel om een voet tussen de deur van mijn leven te krijgen. Ik kwam tot Christus door de bewustwording dat Hij genoeg van mij hield om voor me te sterven.

Ten tweede zei ik: “Ik belijd dat ik een zondaar ben.” Niemand hoefde me dat te vertellen. Ik wist dat bepaalde zaken in mijn leven onverenigbaar waren met een heilige, rechtvaardige God. In de Bijbel staat: “Belijden we onze zonden, dan zal Hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad” (1Johannes 1:9). Dus zei ik: “Heer, vergeef me.”

Ten derde zei ik: “Hier en nu, zo goed als ik kan, doe ik de deur van mijn leven open en stel mijn vertrouwen op U als Redder en Heer. Neemt U de leiding over mijn leven. Verander mij van binnenuit. Maak mij zoals ik bedoeld was toen U mij schiep.”

Het laatste wat ik bad was: “Dank U dat U in mijn leven gekomen bent.”


Nadat ik gebeden had, gebeurde er niets. Er kwam geen bliksemflits. Er kwamen geen engelenvleugels uit mijn zij groeien. Feitelijk voelde ik me alleen maar slechter nadat ik gebeden had, lichamelijk ziek haast. Ik was bang dat ik een emotionele beslissing genomen had waar ik later intellectueel spijt van zou hebben. Maar meer dan dat, ik was bang voor wat mijn vrienden zouden zeggen wanneer ze er achter kwamen. Ik had het gevoel dat ik een stommiteit begaan had.

Maar in de achttien maanden die daarop volgden, veranderde mijn leven. Een van de grootste veranderingen was hoe ik tegen mensen aan keek. Tijdens mijn studietijd had ik besloten hoe de komende vijfentwintig jaar van mijn leven er uit zouden zien. Mijn einddoel was gouverneur van Michigan worden. Ik was van plan dat doel te bereiken door over de rug van anderen de ladder van het politieke succes te beklimmen – ik ging er vanuit dat mensen er waren om gebruikt te worden. Maar nadat ik mijn vertrouwen op Christus gesteld had, veranderde mijn denken. In plaats van anderen te gebruiken om mij te dienen, wilde ik gebruikt worden om anderen te dienen. Dat op anderen gericht raken in plaats van op mezelf was een dramatische verandering in mijn leven.

Iets anders wat veranderde was mijn driftige aard. Normaal vloog ik al op als er iemand verkeerd naar me keek. Ik heb nog steeds de littekens van die keer dat ik bijna een man vermoordde, tijdens mijn eerste jaar op de universiteit. Mijn slechte humeur zat er zo bij me ingebakken dat ik niet bewust mijn best deed om het te veranderen. Maar op een dag, geconfronteerd met een crisis die me normaal gesproken uit mijn dak had laten gaan, ontdekte ik dat mijn opvliegendheid verdwenen was. Ik ben nog niet volmaakt wat dit betreft, maar dit is een grote en ingrijpende verandering in mijn leven geweest.

De belangrijkste verandering ligt misschien wel op het vlak van haat en verbitterdheid. Ik groeide op met haat, voornamelijk gericht tegen één man die ik meer dan wie ook op aarde haatte. Ik verachtte alles waar deze man voor stond. Ik herinner me dat ik als jongetje ’s avonds in bed lag te bedenken hoe ik deze man zou vermoorden zonder gepakt te worden door de politie. Deze man was mijn vader.

Toen ik opgroeide was mijn vader de plaatselijke dronkenlap. Ik zag hem maar zelden nuchter. Mijn schoolvrienden maakten grappen over mijn vader die in de stad in de goot lag en zichzelf belachelijk maakte. Hun grappen kwetsen me diep, maar dat liet ik nooit aan iemand merken. Ik lachte met ze mee. Ik hield mijn pijn geheim.

Soms vond ik mijn moeder in de schuur, liggend in de mest achter de koeien waar mijn pa haar zo had geslagen met een stuk slang dat ze niet meer overeind kon komen. Met een ziedende haat bezwoer ik mezelf: “Zodra ik sterk genoeg ben, vermoord ik hem.” Als pa dronken was wanneer er bezoek kwam, pakte ik hem in zijn nek, sleepte hem naar buiten naar de schuur, en bond hem vast. Daarna zette ik zijn truck achter de silo en zei tegen iedereen dat hij naar een bijeenkomst was, zodat we ons als gezin niet zouden hoeven schamen. Als ik zijn handen en voeten vastbond, legde ik een deel van het touw in een lus rond zijn hals, in de hoop dat hij zou proberen los te komen en zichzelf smoren.

Twee maanden voor het einde van mijn middelbare schooltijd was ik een avondje uit geweest. Toen ik het huis binnenliep hoorde ik mijn moeder snikken. Ik rende haar kamer in, en ze ging rechtop in bed zitten. “Zoon, je vader heeft mijn hart gebroken”, zei ze. Ze sloeg haar armen om me heen en trok me tegen zich aan. “Ik heb niet langer de wil om te leven. Ik wil alleen nog maar leven totdat jij klaar bent met school en dan wil ik dood.”

Twee maanden later was ik klaar, en de vrijdag daarop overleed mijn moeder. Ik ben ervan overtuigd dat ze stierf aan een gebroken hart. Ik haatte mijn vader erom. Als ik niet een paar maanden na de begrafenis het huis uit gegaan was in verband met een vervolgopleiding, had ik hem misschien vermoord.

Maar nadat ik het besluit genomen had om Jezus te vertrouwen als mijn Redder en Heer, overstroomde de liefde van God mijn leven. Hij zette mijn haat voor mijn vader op zijn kop. Vijf maanden nadat ik christen geworden was, merkte ik dat ik mijn vader recht in de ogen keek en zei: “Pa, ik houd van u.” Ik wilde niet van die man houden, maar ik deed het wel. Gods liefde had mijn hart veranderd.

Nadat ik was overgestapt naar Wheaton University, werd ik ernstig aangereden door iemand die dronken achter het stuur zat. Toen ik uit het ziekenhuis ontslagen was om thuis te herstellen, kwam mijn vader op bezoek. Vreemd genoeg was hij die dag nuchter. Hij leek niet op zijn gemak en ijsbeerde door mijn kamer. Toen gooide hij eruit: “Hoe kun je houden van een vader als ik?”

Ik zei: “Pa, zes maanden geleden haatte ik u, ik verachtte u. Maar ik heb mijn vertrouwen op Jezus Christus gesteld, Gods vergeving ontvangen, en Hij heeft mijn leven veranderd. Ik kan het niet allemaal uitleggen, pa. Maar God heeft mijn haat voor u weggenomen en er liefde voor in de plaats gegeven.”

We praatten bijna een uur lang, en toen zei hij: “Zoon, als God in mijn leven kan doen wat ik Hem in jouw leven heb zien doen, dan wil ik Hem de gelegenheid geven.” Hij bad: “God, als U werkelijk God bent en Jezus aan het kruis gestorven is om mij te vergeven wat ik mijn gezin heb aangedaan, dan heb ik U nodig. Als Jezus in mijn leven kan doen wat ik Hem heb zien doen in het leven van mijn zoon, dan wil ik Hem aannemen als Redder en Heer.” Dat ik mijn vader dat vanuit zijn hart hoorde bidden is een van de grootste vreugden van mijn leven geweest.
Nadat ik Christus had aangenomen, werd mijn leven in hoofdlijnen in zo’n zes tot achttien maanden veranderd. Maar mijn vaders leven veranderde voor mijn ogen. Het was alsof er iemand naar beneden reikte en het licht in zijn binnenste aanstak. Nadien heeft hij nog maar één keer alcohol aangeraakt. Hij bracht het glas niet verder dan zijn lippen, en dat was het – na veertig jaar drinken! Hij had het niet meer nodig. Veertien maanden later overleed hij aan complicaties van zijn alcoholisme. Maar in die veertien maanden waren er meer dan honderd mensen in de omgeving van dat kleine stadje waar ik vandaan kwam, die hun leven aan Jezus Christus toewijdden vanwege de verandering die ze opmerkten in de plaatselijke dronkenlap, mijn vader.

Je kunt lachen om het christendom. Je kunt het bespotten en er grappen over maken. Maar het werkt. Als jij Christus aanneemt, moet je maar eens kijken naar je houding en je gedrag – Jezus Christus houdt zich bezig met het veranderen van levens.

Christen zijn is niet iets wat je door je strot geduwd moet krijgen. Jij hebt jouw leven te leven en ik het mijne. Alles wat ik kan doen is je vertellen wat ik ontdekt en ervaren heb. Daarna is wat jij met Christus doet, jouw beslissing.

Misschien heb je wat aan het gebed dat ik bad: “Heer Jezus, ik heb U nodig. Dank U wel dat U voor mij aan het kruis gestorven bent. Vergeef me en reinig me. Hier en nu neem ik U aan als Redder en Heer. Maak mij zoals U mij bedoelde toen U mij schiep. In Jezus’ naam, amen.

Josh McDowell


© 2009 Stichting Agapè & Josh McDowell Ministries

Optimized by SEO Ultimate